Schoonstede

Uit Eternipedia
Ga naar: navigatie, zoeken
caption

Wapenschild

Het wapenschild bestaat voor de helft uit een oranje oppervlak dat in twee stukken verdeeld is. Het bovenste stuk heeft zwarte golven op een witte achtergrond. Zwart ten teken van de Dood en witte golven omwille van de levensbrengende zee. De oranje onderste helft toont een groene dobbelsteen. Het is een open vraag waarom die dobbelsteen groen is, maar men vermoedt dat het spot is naar de Grootmeester toe. Het aantal ogen wisselt wel eens maar vaak wordt de dobbelsteen zo afgebeeld dat er zes ogen zichtbaar zijn: 1 oog bovenaan, 2 aan de linkerzijde en 3 aan de rechterzijde. Het is een veelvoorkomende kwajongensstreek om een ‘heilig zevende’ oog bij te tekenen op zo een dobbelsteen. Bernardus de Lelijke, Schout van Schoonsteede in het gezegende jaar 256 NE en voornaam volgeling van Negaster, heeft zelfs geprobeerd om het schild definitief te laten hertekenen. Helaas stierf hij vroegtijdig toen hij jammerlijk uitgleed op loopplank en verdronk. Het aantal ogen is niet het enige dat in Schoonsteede af en toe aan verandering toe is: in Alberghem hangt een oud schild aan het Baljuwhuis met een oranje dobbelsteen op een groen veld. Waarom er alleen hier zo’n schild hangt is onbekend.


De Smeltkroes van Eternica

‘Poarel on Déternikoanse Kust’


Schoonstede heeft enorm aan invloed en rijkdom gewonnen, toen Moerseynde is beginnen te verzanden. Schepen uit Portillië, Ulreich, Xiam en Medina leggen graag aan in de bonte havenstad, die dan ook een smeltkroes is van verschillende culturen. Er is geen betere plek denkbaar voor beginnende avonturiers dan hier. In de ontelbare kroegjes vind je ruige zeebonken en ervaren reizigers, altijd bereid om te vertellen over hun heldendaden in ruil voor schuimend bier. De stad is verdeeld in verschillende wijken, die bewoond worden door de verschillende bevolkingsgroepen die hier gestrand zijn : Xiamdorp, Klein Medina en Portillietta hebben hun eigen toegangspoort, hun eigen ordediensten en hun eigen handel. Vooral Portillietta is de laatste jaren heel erg gegroeid en er zetelen zelfs Portillianen mee in het stadsbestuur. Alleen het recent herontdekte Reuzenland en het eerder vijandige Ulreich hebben hier nog geen vaste voet aan de grond. Wat Ulreich betreft zou dat er echter wel eens heel snel van kunnen komen want vele drakkars vol vluchtelingen zijn de afgelopen jaren toegekomen in Schoonstede. Ze spreken ervan als zou Ulreich veranderd zijn in een Yshel. Of het inderdaad vluchtelingen zijn of gewoon mensen die het juk van de Jarls willen ontvluchten is tot op heden te dage nog niet bewezen. Tussen de schepen die hier aanmeren, zitten schippers van elk allooi. Ze komen hier hun koopwaar verkopen, nieuwe voorraden inslaan en voor je ’t weet, zeilen ze de haven alweer uit. Dat brengt mee dat je moeilijk een getal kan kleven op het bevolkingsaantal in Schoonstede. Het leven in Schoonstede is als een rol van de dobbelsteen : de éne dag ben je zo rijk als een vorst en geef je rondje na rondje in een havenkroeg met je vele vrienden, de volgende dag lig je zonder je kleren aan in de goot, door iedereen verlaten. Misschien daarom dat Ruiter hier zo sterk vertegenwoordigd is. Het lot geeft en neemt in Schoonstede. Net onder Blickeren begint de ‘Speldt’, een stroom met een heleboel hele kleine zijriviertjes, die, zoals de dichter Marius Droghenstoppel ooit beschreef : ‘... als kleine speldenprikken het landschap aan elkander rijgen’. Voordien werd de rivier ‘het Waes’ genoemd omdat het water over bijna de hele lengte nogal troebel is, maar de Schoonstedenaers vonden ‘Speldt’ leuker. ’t Speldt wordt voornamelijk gebruikt voor het vervoer van bouwmaterialen voor de scheepsbouw van Blickeren naar Schoonstede. Wanneer je vraagt aan de Schoonstedenaar of hij hier een goed leven heeft, zal hij altijd klagen. Schoonstedenaars zeuren en klagen als geen ander over alles : het stadsbestuur, de economie, de vreemdelingenwijken, de misdaad in de stad, … . Maar als je dan zou vragen waarheen ze zouden willen verhuizen, zal elke Schoonstedenaar je met een vreemde blik aankijken en je toewerpen dat Schoonstede de mooiste stad is van Eternica! Het regent vaak in Schoonstede en de felle wind, die vanuit de zee het land komt aanrollen, maakt het meestal nogal onaangenaam in de stad. Schoonstedenaars zitten daarom liever binnen om te drinken, handel te drijven of te gokken in de havenkroegjes. De baljuw heeft het niet gemakkelijk. De verschillende wijken zijn bijzonder ontoegankelijk voor wie er niet thuishoort en de orde wordt er daarom maar heel moeilijk gehandhaafd. Hiervoor heeft de baljuw ‘provoosten’ benoemd in elke wijk. Het betreft een lid van de desbetreffende gemeenschap, die de macht heeft het recht te laten gelden uit naam van de baljuw. Op straat wordt echter gefluisterd dat de provoosten zo corrupt zijn als de pest en stilletjes rijk worden van de vele steekpenningen die ze krijgen. De provoosten worden bijgestaan door ‘rakkers’, die opgeleid worden door de schout van Schoonstede en dan door de stad toegewezen worden aan de provoosten. Het zal de aandachtige lezer opgevallen zijn dat de schout van Schoonstede thans een Ulreicher is. Thorvald is één van de Ulreichers die in Konterdamme mee verantwoordelijk was voor het verdwijnen van het 24ste legioen. Hij bleef echter achter op het slagveld en werd door de paters van het klooster van de Draak opgevangen en verzorgd. Thorvald voelde dat hij hierdoor een levensgrote schuld aan de Eternicanen had en maakte er een erezaak van om zichzelf en zijn leven ten dienste te stellen van hen die hen gered had. Hij bekeerde zich tot de Draak en werkte zich in het garnizoen van Schoonstede op tot schout. De indrukwekkende verschijning van Thorvald is thans in de hele stad bekend.


Schoonstede kort

105.000 inwoners in de stad

168.000 Inwoners in de dorpen en gehuchten

135.000 Inwoners op het platteland

115.000 dienaeren

Baljuw: Karolus Ardinus

Schout: Thorvald Arendson


De taal

Zoals alle steden van Eternica kent Schoonsteede haar eigen accent. Het Antwerps (Aantweirps) staat model voor het Schoonsteedens. Deelnemers die dit dialect niet machtig zijn verlengen gewoon alle a-klanken en slikken alle andere klinkers in. Te pas en onpas stopwoorden als ‘gast’ (kerel) en ‘manneke’ (ook kerel) gebruiken zorgt er eveneens voor dat je al snel voor echte Schoonsteedenaer wordt genomen.


De haven

De haven is het kloppend hart van Schoonstede. Hier vinden we de goorste kroegen, de duisterste hoekjes van de stad, de zwartste handel, de grootste mengeling van rassen en volkeren en schepen uit alle hoeken van de wereld. Zowel dag als nacht bruist de haven van leven : lossen, laden, kopen en verkopen, zeemannen die de kade afschuimen op zoek naar drank, vrouwen of een vechtpartij. Zelfs de stadswachters durven ’s nachts niet alleen ronddolen in de haven, zo gevaarlijk is het er wanneer de maan schijnt. In de kleine kroegjes aan de haven kan je terecht voor drankjes, die zo sterk zijn dat je het kan gebruiken als vernis, voor gevaarlijke gokspelletjes zoals mesprikken tussen je vingers of voor het gezelschap van de goedkoopste vrouwen. De dronken zeelieden staan garant voor een agressieve atmosfeer en een avontuurlijke wandeling in de duistere steegjes van Schoonstede. Overdag vind je hier aan de haven kraampjes met verse vis van de vissers die dagelijks uitvaren. Krabben, kreeften, mosselen, garnalen, … alles is hier even smakelijk en vers. Je kan hier ook makkelijk vissersspullen aankopen om zelf een hengeltje uit te gooien vanaf één van de talrijke stijgers. Zolang je maar een geldige visvergunning kan voorleggen. Die kan je kopen bij de Havenmeester Aurelius Schorrewinckel. Deze Havenmeester is zelf een beruchte zeevaarder geweest en hij houdt de haven met een ijzeren vuist in bedwang. Als zijn indrukwekkende verschijning opduikt, verstomt elk kroeggevecht en maakt elke zeebonk zich schoorvoetend uit de voeten. Hij is niet alleen gevreesd om zijn stalen vuisten, maar er wordt gezegd dat de Ruiter hem gunstig gezind is.


De tempel van de Ruiter

Hier bevindt zich één van de weinige publieke tempels van de Ruiter. Het is een groot, rond gebouw met prachtige glasramen en een koepel waar langs de binnenkant taferelen staan afgebeeld van de heilige Filémon Patrimonius, patroonheilige van Schoonstede. Filémon Patrimonius was een priester van de Ruiter, die de stad ooit redde van een aanval van piraten. In het jaar 141 verschenen er 30 drakkars gevuld met bloeddorstige, Ulreichse zeerovers voor de kusten van Schoonstede. Filémon vroeg een ‘parlé’ aan met de kaperkapitein Germandus Bloedvuyst en hij stelde de kapitein een gokje voor : één rol van de dobbelsteen zou het lot van Schoonstede bepalen. Een even nummer werpen, betekende dat Schoonstede vrijwillig al zijn rijkdommen zou overdragen aan de kapers, zodat er geen gevechten zouden plaatsvinden en niemand zou moeten sterven. Een oneven nummer zou betekenen dat de piraten zich zouden terugtrekken zonder buit. Germandus zag er de humor wel van in en ging akkoord. Het resultaat laat zich raden. Sindsdien is Filémon een heilige en wordt hij aldus vereerd. Zijn tombe staat nog steeds in de tempel en is een bedevaartsoord voor alle Ruiteraanhangers.


Xiamese loterij

Dit is één van de ‘urban legends’ van Schoonstede. Verhalen doen erover de ronde in kroegen, maar steeds met gedempte stem en een blik over de schouder of er geen Xiamees in de buurt is. Er wordt verteld dat je in de Xiamese wijk kan deelnemen aan een grote loterij. Er worden mensen verzameld in een grote ruimte, waar iedereen bij het binnentreden een zilverstuk ontvangt en zijn naam in een urne moet smijten. Dan worden er 5 namen getrokken. Deze mensen winnen een goudstuk en worden weggevoerd om één van hun organen door chirurgen te laten wegnemen om te gebruiken op de zwarte markt. De ongelukkige trekt een kaart uit een boek waarop alle lichaamsdelen staan getekend, zodat ook nu weer het Lot beschikt over wat er met de ‘winnaar’ zal gebeuren. Vaak vertrekt de ongelukkige weer met één oog of één hand minder, maar een goudstuk rijker. Vaak wordt zijn lijk zonder hart in het water gegooid vanaf één van de vele stijgers van Schoonstede.


De Bankiers

Een zeldzaam handelsfeit in Eternica zijn de bankiers. Hier kunnen zeemannen en handelaars hun geld achterlaten in verzekerde bewaring. Het tarief is hoog, maar het geld wordt gegarandeerd uitbetaald op vertoon van de schuldbrief. Het bankwezen heeft niet alleen een kleine militie in dienst, bestaande uit gehaaide avonturiers en deserteurs, maar bovendien hebben ze ook een aantal magiërs in dienst, die de banken verzegelen met magische sloten en vallen. In Schoonstede vinden we drie grote bankhuizen. Ten eerste hebben we het Eternicaanse ‘Landelijk Krediet’, de bank van koopman Rudolf Huysmansch. Hij trekt zijn klanten met slogans die de Eternicanen aanmoedigen te storten bij een bank van eigen bodem. De Medineese bank ‘Al-Kash’ specialiseert zich dan weer in vreemde munten en heeft ook een wisselkantoor. En tenslotte is er de vreemdste bank van allen : de Portilliaanse bank ‘La Fortuna’ is gevestigd op een galjoen, dat op een goeie 500 meter van de kust permanent voor anker ligt. De kanonnen op de reling verzekeren een warm onthaal aan iedereen die met slechte bedoelingen het schip nadert. Door deze ligging te kiezen, bevindt deze bank zich buiten het rechtsgebied van Schoonstede en dus betaalt ‘La Fortuna’ geen belastingen aan de stad. Dat zint Schoonstede allerminst en ze probeert alles om hieraan een einde te maken.


De Dievenkoning

De stad heeft veel last van kleine criminaliteit. Kleine straatbendes stelen en zakkenrollen en nemen alles mee wat niet vastgespijkerd zit. Dieven heb je hier in alle maten en soorten : van schattige straatkinderen tot parmantige dames schuimen de straten af op zoek naar een prooi. Wie zijn geld hier open en bloot in een dikke beurs draagt, tekent zijn eigen vonnis. Het lijkt alsof deze dieven niets met elkaar vandoen hebben, maar als we de geruchten mogen geloven, is er één Dievenkoning, die een ijzeren beleid voert in deze stad. Wie het is, weet niemand, maar zijn beleid is keihard. Alle dieven in de stad zijn hem een aandeel in de buit verschuldigd en er gebeurt geen enkele inbraak zonder zijn toestemming. Hij controleert hoeveel gauwdieven er de straat opgaan en welke handelaars er beroofd worden. De bodem van de Schoonstedense haven is bezaaid met lijken met een gewicht aan hun voeten, lijken van onvoorzichtige rovers, die weigerden een aandeel te betalen aan de Dievenkoning. De baljuw looft een beloning uit van 100 goudstukken voor wie de beslissende aanwijzing kan leveren om de Dievenkoning te arresteren.


Festival der Kunsten

Eénmaal per jaar, op Ruiterkesdag, heeft in Schoonstede een groot festival plaats waar alle narren op zijn uitgenodigd. De stad staat vol met podia in de straten waar iedereen zijn ding mag komen doen, kosteloos en vrij om te rapen wat er ook naar de artiesten wordt gegooid. Alle winkels zijn gesloten die dag en de winkels in Schoonstede hebben ondertussen ook geleerd om hun etalages extra stevig te barricaderen. Het Festival wordt voorgezeten door de Keizersnar, dat is een willekeurig gekozen nar. De Keizer wordt door de stad gedragen in triomf en hij mag alle narren die hij tegenkomt op zijn ronde, de meest waanzinnige bevelen geven. Hij draagt dan de Narrenscepter en de Dwazenkroon. Die laatste wordt zo genoemd, niet omdat de drager een dwaas zou zijn, maar omdat hij al de andere narren op dat moment dwazen kan laten zijn. Het is dan ook wel een traditie dat de Keizer op het einde van zijn ambtstermijn (zonsondergang) aan de stadspoort officieel wordt onttroond en verbannen. Hij moet dan rennen, achternagezeten door soms best wel een woedende menigte narren, die de grillen van de Keizer die dag hebben moeten verdragen. Bij deze traditie wordt meermaals melding gemaakt van een stevig pak slaag voor de ex-Keizer. Eén keer is het ooit tot een overlijden gekomen, omdat de Keizer die dag een nar bevolen had om naakt de toren van de tempel van de Draak te beklimmen. Na zonsondergang stonden er dan ook een tiental paladijnen van de Draak, vermomd als narren, de ongelukkige Keizer op te wachten aan de stadspoort.


Het Scheepskerkhof

Net buiten de stad ligt een muur van klippen waar schepen jarenlang op stukgelopen zijn. Nu ligt er zo’n stapel van wrakken dat een schipper wel blind moet zijn om er nog tegen te varen. De zeelieden mijden de wrakken als de pest omdat ze zeggen dat het er spookt. Af en toe kan je vanaf de wal inderdaad lichtjes zien dwalen door de wrakken en kan je het klaaglijk gejank horen van de verdronken zeelui. Niemand komt er ooit en de dapperen die het toch ooit probeerden, keerden niet weer.


De Schoonsteedse vrouwen van Fatsoen

Sinds 15 quatramonat 497 heeft Schoonstede een ‘club’ van vrouwen die opkomen voor het goed fatsoen in Schoonstede. Ze vinden het een schande dat er meer en meer huisjes van lichte zeden verschijnen in hun mooie havenstad. De oprichtster, dame Galtrude Van de Bollenwinkel, wijdt dit vooral aan het toenemend aantal Portillianen in de stad. Het zijn dan ook vooral de Portillianen die het hard te verduren krijgen.


De papegaaienhandelaar

De papegaaienhandelaar is een van die typische kleurrijke figuren die om de een of andere reden een plaatsje veroveren in het hart van de mensen. Jimmie ‘Pikkelbeen’ McHugh maakt als het ware deel uit van het straatbeeld van Schoonsteede. Zijn bijnaam heeft hij te danken aan de houten ‘pikkel’ die zijn linker onderbeen vervangt. Hij verhuist de hele dag van de ene taveerne naar de andere, met op zijn schouder zijn trouwe papegaai, Kristien. Hij draagt een tricorne, een lange mantel, een ooglapje en rookt een lange pijp. Hij vertelt iedereen die het horen wil dat hij ooit een beroemd piratenkapitein was, die door muiterij aan lager wal geraakt is. Nu beweert hij een eerlijk burger te zijn die zijn brood verdient met het verhandelen van papegaaien, maar niemand heeft hem ooit met een andere papegaai gezien dan Kristien. Toch slaagt hij er in om in zijn onderhoud te voorzien door het vertellen van een nooit aflatende stroom piratenverhalen in ruil voor een stevige pint of een warme maaltijd.


De Vuurtoren

De horizon van Schoonsteede wordt beheerst door de ranke vorm van de vuurtoren, die als een waarschuwende vinger hoog boven alle andere gebouwen uitsteekt. Deze toren is gebouwd in 386 als antwoord op de vele schipbreuken aan de witte klippen, die de oorzaak waren voor het ontstaan van het scheepskerkhof. Sinds de dag van de opening wordt de vuurtoren bewaakt door de familie Haenekraai. De eerste seinmeester was Jacob Haenekraai, en sinds hij het eerste vuur op de top van de toren aanstak, heeft het elke nacht, zonder uitzondering gebrand. Tegenwoordig maakt men gebruik van een permanente lichtspreuk en door de Draak gezegende spiegels om een lichtstraal de wereld in te sturen, maar in geval van falen van deze moderne installatie kan er nog altijd een vuur aangestoken worden, want alle materialen zijn in voorraad. De toren dient niet alleen als waarschuwing voor de zeevaarder die zijn schip een ramp wil besparen, maar tevens als een uitkijkpost voor invallers en piraten. Niemand kan Schoonsteede ongezien naderen of dien Haen zalt kraaien.


Lokale gildes en hanzen

Gilde der Gokkers ‘De Dobbeleirs’

“’t Zen zotte die waarekeu”

Grootmeester Hanswicht Kriekenboom

Een uniek gilde voor Eternica vinden we hier in Schoonstede. Het komt alleen voor in Schoonstede, hoewel er ook wel in andere steden gegokt wordt natuurlijk. Hier en daar vind je dan ook waarnemende secretarissen van het gilde, maar alleen hier in Schoonstede zetelt het gildebestuur en er is er maar één. Hanswicht is zelf een vooraanstaand priester van de Ruiter, net als het voltallige gildebestuur. Het gilde heeft nauwelijks reglementen. De leden mogen aan hun goktafels zo veel of zo weinig vragen als ze willen. Ze zijn vrij om hun speelhol exclusief of juist erg openbaar te maken. De hiërarchie moet echter wél goed gevolgd worden. Niemand mag een nieuw spel invoeren op eigen initiatief. Een gokspel moet eerst voorgesteld worden aan de gilderaad hier in Schoonstede. Dat geldt voor alle leden van het gilde, zelfs al woon je aan de andere kant van Eternica. Daarom komen er bijvoorbeeld in Woudvoorde maar heel weinig nieuwe gokspelen op tafel. Iemand uit Woudvoorde die een nieuw spel wil lanceren, moet eerst helemaal naar Schoonstede om het te laten keuren. De wervingsprocedure bij het gilde is heel eenvoudig, maar tegelijk aartsmoeilijk. Al wie kan bewijzen dat hij het gilde heeft kunnen oplichten zonder dat hij gepakt werd, mag zich kandidaat stellen om toe te treden. De gilderaad zetelt in een gebouw dat tegen de tempel van de Ruiter gebouwd werd. Beide gebouwen staan dan ook met elkaar in verbinding. Het is een grote, rijke hal vol marmer en duur, zwart hout. Hier steekt veel gokkersgoud in. Er gaan geruchten al zou het gokkersgilde banden hebben met de plaatselijke criminele organisaties, maar dat werd tot nu toe nog nooit bewezen.


Narrengilde ‘de Bleitsmoelen’

“Tis mor voer te lacheu!”

Grootmeester Thadeus ‘de Schelm’ Vermeersch

Het narrengilde heeft hier stevig voet aan de grond gekregen. Het gilde heeft hier een vestiging om de narren te beschermen, want ze werden hier door de ruwe zeemansbevolking niet erg gerespecteerd. Er gingen jaren van mishandeling, vernedering en uitbuiting aan vooraf voordat het toenmalige gildehoofd besloot om de narren in Schoonstede te beschermen met een gilde hier ter plaatse. Met het vestigen van een gildehuis in Schoonstede begon een merkwaardige campagne, die de bewoners van Schoonstede het nodige respect bijbracht voor het narrengilde. Twee dagen na de vestiging van het gildehuis werd er (toen nog naar aloude gewoonte) een nar uit het café ‘De Grauwe Rob’ geranseld. Hij werd halfdood geslagen door matrozen van het karveel ‘de Windhoos’ en voor dood achtergelaten in een steeg. Hij werd gevonden door vrienden, naar het gildehuis gebracht en daar verzorgd. De volgende ochtend vond de kapitein van ‘de Windhoos’ een vijftal van zijn matrozen ondersteboven opgehangen aan een ra van zijn schip, de keel overgesneden en compleet leeggebloed. Na dit voorval verspreidde het nieuws zich als een lopend vuurtje door de stad dat narren niet langer een gemakkelijke prooi waren. In de maanden daarna volgden nog enkele incidenten, maar uiteindelijk begreep iedereen dat de narren evenveel respect verdienden als de hoogste heer in de stad. Sinds die dagen braken gouden tijden aan voor de narren. Ook in de verschillende casino’s in de stad zijn de narren alomvertegenwoordigd. Vaak hebben ze er vaste contracten met de uitbaters. Te onthouden is het café ‘De Zilte Zucht’ waar zich een ‘vrij podium’ bevindt, waar iedere beginnende nar zijn liederen ten beste kan geven.


Zeevaardersgilde ‘Het Maritiem Gilde’

“En vliegt den blaavuut, steurem oep seej!”

Grootmeester Yuventus Stormvogel

Het Zeevaardersgilde is in het leven geroepen toen Moerseinde is beginnen te verzanden. Schoonstede is toen de belangrijkste havenstad geworden en ze hadden een gilde nodig om de aankomst en het dokken van de zeeschepen te regelen. Het gilde dat zich toen in Moerseinde bevond, is eigenlijk met zijn hele hebben en houen verhuisd naar Schoonstede. Daar werden ze met grote sier onthaald, want dat was het officiële teken dat ze door de overheid aanvaard werden als de belangrijkste havenstad van Eternica. Het zeevaardersgilde beheert het aandokken van schepen in de zeehaven van Schoonstede. Ze regelen de taksen die kapiteins moeten betalen om aan te meren en ze leiden de schepen veilig naar de haven met hun loodsen. Het loodswezen in Schoonstede bestaat uit ervaren kapiteins op rust, het summum van het gilde, die de vaargeul op hun duimpje kennen. Ze loodsen de schepen tussen de zandbanken door naar de haven en helpen hen om aan te meren aan de vele kades van de haven. Het zeevaardersgilde telt het grootste aantal Portillianen onder zijn leden van alle Eternicaanse gildes.


Handelsgilde ‘De visboeren’

“Klaaine véntjes, groate pérsentjes!”

Grootmeester Wilfried Kraps

Het handelsgilde is in Schoonstede bijzonder machtig. Net omdat de haven één en al handel is, hebben de handelaars hier een stevige greep op de stad. De handel is alomvertegenwoordigd. De grootmeester heeft een uitgebreide gilderaad om al de handelsactiviteit in kaart te brengen en overzicht te houden. Want hij moet niet alleen de handel in kaart brengen die de haven binnenkomt, maar ook alle handel die de stad verlaat. De gilderaad telt hier 52 klerken, die in het grote gildehuis hun boekhouding bijhouden. Het lijkt wel alsof de kleine viskraampjes met het handelsgilde niet veel te maken heeft, maar de 237 klerken die elke dag de straat opgaan om taksen te innen, vergeten zelfs de kleinste visventers niet. Wekelijks moet er betaald worden voor de handel, die zij dagelijks op straat voeren. Belastingen zijn dan ook de grootste bron van inkomsten voor het gilde in Schoonstede.


Tolkengilde ‘De Taalknobbels’

“Ge mut et gezéé kraaige!”

Grootmeester Vincent Haarlander

Het tolkengilde is spontaan ontstaan na de grote toevloed van vreemdelingen in de stad. De autochtone handelaars hadden nood aan tolken die de handel tussen de verschillende nationaliteiten konden helpen. De tolken zijn sinds die dagen een onmisbare schakel tussen buitenlanders en Eternicaanse handelaars. Opvallend aan dit gilde is dat alle leden Eternicanen zijn, die de vreemde taal machtig zijn geworden. Volgens het beleid van dit gilde, nemen ze geen buitenlanders aan. Eén vertaler wordt tot de dag van vandaag nog herdacht : Valère Trimenort. Hij was vertaler voor de heer Cimion Van Dagemeyne van Schorrewandel aan de Eternicaanse kust, maar werd omgekocht door de heer Alphonse Toriachi van een Portilliaanse koopvaarder. Onderhandelingen werden gevoerd over handelsbetrekkingen en dankzij de valse vertalingen van Valère werd graaf Cimion tot de bedelstaf gebracht. Valère werd gearresteerd nog voor hij naar Portillië kon vluchten. Het voorbeeld van zijn bedrog en veroordeling wordt heden ten dage nog steeds op de opleiding verteld als waarschuwing naar de studenten toe.


Wisselaarsgilde ‘De Duytenvangers’

“Na mutte ni oep oewe zak gon zitte!”

Grootmeesteres Marion Driessens

Het gilde der wisselaars is al even noodzakelijk als het tolkengilde. Het zijn de vertalers van het geld. Het wisselgilde is ontstaan uit het handelsgilde. In Schoonstede hadden ze zoveel werk dat ze een eigen gilde en dus een eigen statuut kregen. Een groot gilde is het niet en ze hebben slechts een klein kantoor in de gebouwen van het handelsgilde, maar niemand kan hen meer wegdenken uit het beeld van de handelaars. Ze voorzien het handelsgilde trouwens van een grote bron van inkomsten. Het wisselen is namelijk niet goedkoop. Het gilde heeft een vast team van alchemisten aan boord om het goud en het zilver op zuiverheid te testen.


Krijgersgilde ‘De Zeeleeuwen’

“Sjloan Poa!”

Gildemeester Idisbald Vermander

Het krijgersgilde heeft hier een bijzondere afdeling. Dit gilde leidt de recruten op tot zeesoldeniers, speciaal opgeleid om te vechten op zee. De basisopleiding is hier dezelfde als op andere scholen, dus ook recruten die hun basisopleiding elders hebben gehad, mogen hier hun opleiding tot zeesoldenier vervolmaken. Ze worden getraind in het enteren, worden volmaakte evenwichtsartiesten om te vechten in de erbarmelijkste omstandigheden, krijgen lessen om te overleven op zee en genieten van een meesterlijke opleiding in het gebruik van grote afstandswapens. De slogan ‘Sjloan Poa!’ is afkomstig van de derde gildeleider Dieter Heibald, toen hij en zijn vader verwikkeld waren in een zeegevecht tegen de zeerover Jorun Tunderslaegh. Vader en zoon Heibald waren erin geslaagd bij de zeerover aan boord te klimmen en zich een weg naar het ruim te vechten. Daar hield Dieter de vijand af, terwijl zijn vader een gat in de wand van het schip probeerde te hakken. Dieters kreet ‘Sjloan Poa!’ overgalmde het stervensgebrul van de vijand. De kreet ‘Sjloan Poa!’ wordt heden ten dage nog steeds gebruikt door de zeesoldeniers om aan te tonen dat zij nooit opgeven.


Scheepsbouwersgilde ‘De Mastknopers’

“En ast ni bleft dreiven, dan fikke wet oep!”

Gildemeester William van Driessen / Karel Geeversch

De Mastknopers bestaan uit twee afdelingen : in Blickeren heb je de schrijnwerkerijen waar de scheepsonderdelen worden gemaakt en in Schoonstede zijn er de grote werven waar de schepen in elkaar worden gezet. In Schoonstede zwaait Karel Geeversch de plak over de werven en hij vindt van zichzelf dat hij de grote man is in het gilde. Jammer genoeg vindt William van Driessen dat ook en om zijn status te bestendigen,


Bureau voor Vreemdelingenzaken (BVZ)

Hoofdklerk Matheus Windsar

Wie geen Eternicaan is en toch in Schoonstede wil handel drijven, heeft een ‘verblijfsverklaring’ nodig. Daar kan hij voor terecht in het Bureau voor Vreemdelingenzaken. De klerken hebben tolken voor elke gekende taal ter hunner beschikking. Ze houden bij wie er binnenkomt en wie er buitengaat. Ze schrijven de verblijfsverklaringen uit en leggen boetes op voor wie aan deze regelgeving zijn laars lapt. Elke vreemdeling die op straat door de stadswacht wordt gecontroleerd en niet de juiste papieren kan voorleggen wordt opgepakt en meegenomen naar het BVZ. Hij krijgt een boete omdat hij niet uit eigen beweging naar het BVZ is gegaan en moet zich driedagelijks bij het bureau komen melden. Een farçe waar nu nog altijd (stiekem) om gelachen wordt, gebeurde toen de Medinese prins Armoen Al Tellar de vergissing maakte alleen in Schoonstede te gaan ronddwalen terwijl zijn schip werd uitgeladen. Hij werd opgepakt door de stadswacht en naar het BVZ gebracht. Toen hij niet kon aantonen dat hij was wie hij beweerde te zijn, werd hij in de cel gezet tot later verhoor. Toen zijn hofhouding hem nadien in de cel terugvond, sloeg de waarheid bij de klerken van het BVZ in als een bom. Om een diplomatieke rel te voorkomen, werden de arresterende wachters getuchtigd en de klerk die het dossier van Armoen had behartigd, ontslagen.


Kroegen en herbergen : ‘Voer te freite en te zoape’

‘Den Trol’ : ‘Da gruun misbaksel’

Deze hoogst ongewone herberg net buiten het kleine dorpje Schoaten wordt uitgebaat door een trol. Brutus heet het monster en hij zit meestal in een hoek van de herberg op zijn troon vanwaar hij met argusogen ‘zijn’ herberg overziet. Naast hem prijkt een bordje waarop staat ‘Het is verboden de trol alcohol te geven!’. Als je aan Brutus vraagt wat er op het bordje staat, antwoordt hij in gebroken Eternicaans : ‘Brutus de g’weldige, is baas in dees kot!’. Soms helpt hij ook bij het uitladen van de biervaten of het wegzetten van paarden en koetsen in de stallen. Brutus is natuurlijk niet de échte eigenaar van de herberg, maar Jacob Wieland, de werkelijke eigenaar, wil graag die schijn ophouden. Jacob heeft begrepen dat dat klanten lokt. Iedereen die in Alberghem komt, wil wel eens Schoaeten aandoen om er te kijken naar de indrukwekkende, tamme trol. Hoe Brutus bij Jacob terecht kwam, is tot op heden een geheim dat alleen bij Brutus en Jacob gekend is. Het bijzondere aan Brutus is overigens dat hij niet zomaar een trol is, maar een zeldzame poppytrol!


‘Het achtste gebod’ : ‘De Goaden tereejre ... schol!’

In de hoofdstad Schoonstede vinden we in het oude stadsgedeelte een herberg die volgestouwd is met beelden en iconen van heiligen en goden. In deze herberg hangt boven de toog een groot, houten bord met daarop het achtste gebod : ‘Gij zult genieten!’. De overige zeven geboden hangen ook op diverse hoeken en plekken in de herberg, die allen fraai zijn uitgedost in de sfeer van de respectievelijke godheid. 1: ‘Gij zult niet liegen!’; 2: ‘Gij zult vrij zijn!’; 3: ‘Gij zult het leven respecteren!’; 4 : ‘Gij zult vooraan staan in de strijd!’; 5 : ‘Gij zult uw kennis onderhouden!’; 6 : ‘Gij zult het spel eren!’ 7 : ‘Gij zult de cyclus respecteren!’. De clerus duldt de herberg omdat hij niet godslasterend is en ze de folkloristische waarde van de herberg erkennen. De uitbater, Gust Aedelheyd, was voordien trouwens een priester van de Draak voordat hij door een misdaad tegen de kerk uit zijn ambt werd ontzet. Het proces was nogal omstreden en niet alle priesters waren het eens met de veroordeling. Sommige oud-broeders zijn dan ook vaste klant bij Gust.


‘Bij Blote Wis’ : ‘Tette bloat oep toafel!’

In Zongaarde vinden we het gezellige café ‘Bij Blote Wis’. In tegenstelling tot wat de meeste Eternicanen van buiten Schoonstede zouden denken is dit geen huisje van plezier. Het is een kaarterscafé en de ‘Blote Wis’ is de hartenvrouw, die dan ook prijkt op het uithangbord van de herberg. Het spel ‘Blote Wis’ is hier dan ook uitgevonden. Het spel is een gewoon spelletje ‘wiezen’, maar wie op het einde met de hartendame zit opgescheept, moet de andere spelers een rondje betalen. Hier worden regelmatig kaartwedstrijden gehouden en velen verloren of wonnen er een fortuin met allerlei verschillende kaartspelen. De uitbater Veder Van den Driessen looft trouwens nog steeds beloningen uit voor mensen die met nieuwe kaartspelen op de markt komen.


‘De Rappe Hap’ : ‘A ge veul oenger ét!’

De Rappe Hap is een herberg in hartje Schoonstede. Hier kan je je buik rondeten voor een heel weinig geld. ‘Nouvelle quisine’ is het zeker niet, maar voor degenen die snel een warme hap naar binnen willen schrokken, is het hier de uitgelezen plaats. De hutsepot borrelt de ganse dag boven het haardvuur, er is een blijkbaar onuitputtelijke voorraad van flink gekruide vleesworstjes en de koolstomp is altijd warm en geurig. Er gaan geruchten dat de eigenaar van de Rappe Hap, Mon Streykers, een vast contract heeft met de rattenvangers van de haven, maar dat is nooit bewezen. Ook dat Streykers een bende straatkinderen zou betalen om hem zo vers mogelijk afval te brengen van de dure restaurants uit de stad, ontkent hij met klem. Er zijn in ieder geval nog nooit klachten geweest van klanten die onwel zouden geworden zijn van het voedsel.


‘De Salamander’ : ‘Drei keer vur wa nikkel!’

Deze herberg vind je op de weg van Schoonstede naar Konterdamme. Hier kan je niet alleen bijzonder lekker eten, maar bovendien staat hier, vrij uniek in Eternica, een grote stenen tafel met gladgeschuurd oppervlak, overtrokken met een groene, vilten doek. Op de tafel liggen verschillende ivoren ballen, die de deelnemers met lange stokken moeten wegkaatsen in gaten rondom de tafel. Het speel heet ‘potten’ en is razend populair bij de jet-set van Schoonstede. De Salamander is eigendom van Gabriëlla De Donder. Ze erfde het van haar man toen die sneuvelde in de oorlog tegen de ondoden van Malach. Samen met haar zonen Dieter en Karech houdt ze de herberg open.


‘Het Bootshuis’ : ‘Vur wa bokse oep aawe smoel!’

Als je op zoek bent naar een ruige havenkroeg is het Bootshuis perfect geschikt. Zeemannen van elk allooi komen hier om te proeven van de verschillende soorten rum in de grote vaten tegen de zuidmuur van de gelagzaal. De rum wordt geïmporteerd door Ulreichers, waar de uitbater, Halberd Vantommen, een contract mee heeft. Het stadsbestuur van Schoonstede vindt dat maar niks en de havenmeester is er helemaal niet over te spreken, maar de kroeg is érg populair in de haven en vele zeemannen zouden zwaar ontgoocheld zijn als ze hun druppeltje zouden moeten missen. Misschien is dat dan wel de belangrijkste reden dat het stadsbestuur besloten heeft om het Bootshuis niet te sluiten en de Ulreichse piraten op regelmatige tijdstippen in de stad te dulden. Mogelijk heeft het er ook mee te maken dat Halberd een zwager is van de schout.


‘Sayonara’ : ‘Raaest, raaest en nog is raaest!’

Een kleine herberg in het havengebied van Schoonstede, gelegen op de grens van Xiamdorp uitgebaat door Kim San Kei. De Xiamees woont al sinds zijn geboorte in Schoonstede en kreeg van zijn ouders de herberg bij hun vertrek terug naar Xiam. De specialiteit van de Sayonara is vreemd genoeg rauwe vis. De meeste Eternicanen halen er hun neus voor op, maar de Xiamesen zijn er absoluut dol op. Voor de vele rijstgerechten die er op het menu staan, loopt de gewone burger dan weer wel storm. Kim is het Eternicaans nog niet geheel machtig (of hij doet alsof om zijn zaak exotischer te doen overkomen) en daarom heeft hij een gemakkelijkere manier gevonden om te communiceren met zijn klanten: hij heeft elk gerecht een nummertje gegeven, zodat zijn klanten hem alleen maar het nummertje moeten geven om de juiste bestelling te krijgen.


‘De Oase’ : ‘Baae den broanen bulteneir’

In de Oase wordt iedere klant behandeld als een echte kalief. Mooie, gebruinde, gesluierde dames leiden je naar een lage tafel, waar je omheen ligt op zachte kussens. De gerechten hebben allemaal een Medinees karakter, zoals palmharten, gerechten met coco’s en bananen, curry, apenvlees, kamelenmelk, … . De herberg ligt in het rijkere gedeelte van Schoonstede en wordt vaak bezocht door kapiteins en admiraals. bezoeken de Oase vaak. Dankzij het privékarakter van het restaurant (de verschillende tafeltjes zijn netjes afgeschermd met grote doeken en lakens) bezoeken ook andere hoogwaardigheidsbekleders de Oase vaker met jonge, mooie vrouwen, die zeker te jong zijn om hun vrouwen te kunnen zijn.


Dorpen en streken

‘Deurepkes en pleutskes’


Schorrewandel

Drost Michiel Dingemans

Wachtmeester Adelbracht Schoonduyn

Op 25 octomonat 498 verscheen het verder onbekende Schorrewandel in de krant met onrustbarend nieuws. Eerzame wandelaars verdwenen in de duinen, werden de zee ingesleept en nooit meer teruggezien. Af en toe spoelden er slechts enkele lichaamsdelen aan van de verdwenen lichamen. De stadswacht en de kerk van de Draak richtte een onderzoek in en wijtte de schuld aan rovers die de duinen onveilig maakten. De naam van de roversbende van ‘de Rode Dood’ uit het naburige Konterdamme werd genoemd. Het geval werd in de doofpot gestopt en vergeten door de authoriteiten. Maar de bevolking bleef de duinen angstig mijden. Want zelfs nadat de bende van de Rode Dood in Konterdamme werd uitgemoord door een groepje onbekende avonturiers, bleven er mensen verdwijnen. Verhalen over zeemonsters deden ’s avonds aan het haardvuur de ronde en houdt de bevolking nog steeds in de ban. Schorrewandel staat verder vooral bekend om zijn bescheiden vishaventje, waar vissers elke dag hun verse vis aanbieden aan de handelaars van de naburige steden.


Konterdamme

Drost Mander Tilbrug

Wachtmeester Wiburg Kolemans

Konterdamme is bekend om vele redenen. Ten eerste is het de uitvalsbasis geweest voor ‘den patat’. Hier werden voor het eerst patatten gekweekt nadat de Ulreichers ze hier kwamen verkopen en in de jaren daarna vond de teelt navolging in het ganse rijk omdat het zo’n makkelijk gewas bleek te zijn. Zelfs na de mislukte oogst in oktober 496 werd er met de patatten gekweekt en langzamerhand werd de kweek geperfectioneerd. Thans is de patat een basisbestanddeel van elke goede Eternicaanse maaltijd. Ten tweede vinden we hier ook een abdij van de Draak van het Licht. Het was hier dat het 24ste legioen van Eternicaanse avonturiers werd verrast door de invallende Ulreichers en als slaven werd meegevoerd. Later zou blijken dat de toenmalige en erg vooruitziende regentes Lumen Corona hierop gerekend had opdat een legereenheid Eternica zou ontsnappen om aan de invloed van het AL te ontkomen en jaren later Eternica zou kunnen komen bevrijden. Aldus geschiedde ... de wijsheid van de Draak ter ere!


Zongaarde

Drost Thomas van Zongaarde

Wachtmeester Hanne Tweygs

Midden in Schoonstede, gelegen op een kruispunt van handelswegen ligt Zongaarde. Deze doorvoerpost is groot geworden op de taksen die het mocht heffen van Schoonstede op de wegen die erdoor heen lopen. In ruil daarvoor moest Zongaarde de wegen onderhouden, wat het met veel ijver deed. Zongaarde is tevens ook bekend om zijn ‘Klare Klarijn’. Dit is een zoet, wit wijntje dat gewonnen wordt van de ‘Zilte Wingerd’, een druif die groeit op de flanken van de Klaterheuvels, hier in Zongaarde. De zeewinden die landinwaarts komen waaien, geven de druiven een bijzondere en pittige smaak. Op basis van deze wijn worden dan ook nog eens een heleboel streekgerechten gemaakt, vooral verschillende soorten gebak en fruit op wijn zijn hier favoriete gerechten.


Eberen

Drost Everhardt van Eberen

Wachtmeester Dries Vandroghenacker

Eberen is gelegen op de weg tussen Keperen en Konterdamme. Kunstminnende Eternicanen kennen deze stad als de plek waar de kunstenaar Petrus Rubbels het grootste deel van zijn carrière doorbracht, voordat de adel hem naar Schoonstede haalde. Deze schilder leefde van 77 tot 140 en wordt tot één der allergrootsten gerekend. Zijn schilderijen sieren nu nog steeds de hallen van de vele Eternicaanse kastelen en kinderen leren over hem in de scholen. Het is tevens de geboorteplaats van Gabriëla van Eberen, de weduwe van voormalig prins-regent Grijs de Nimro. Zij verblijft hier bij haar vader, Everhardt van Eberen, sinds het verdwijnen van de prins-regent in het Irogne-incident. Samen met haar dochtertje, Andrea de Nimro, leeft zij in alle teruggetrokkenheid onder de hoede van haar strenge vader. Sinds haar prille jeugd toonde Andrea een grote begaafdheid voor magie. Het werd nooit uitgesproken, maar iedereen raadde dat haar moeder haar uit schrik in het klooster van de Dood heeft binnengeleid, alwaar ze nu sinds 3 jaren wordt opgeleid als tempeldienares. Nu (in 507) zal ze 9 jaar worden.


Keperen

Drost Katelijne Hulgaerde

Wachtmeester Targon Smetsch

Keperen ligt vlakbij Kerselach in Woudvoorde en dient dus als grensstad met deze naburige stadstaat. Hier passeren grote hoeveelheden hout uit Woudvoorde dat dient voor de scheepsbouw in Schoonstede en Blickeren. Vrouwe Katelijne werd Drost toen haar man, de nobele heer Helmut Hulgaerde, het leven liet in de recente oorlog tegen Malach. Onnodig te zeggen dat necromantiërs hier absoluut niet welkom zijn. Vrouwe Katelijne, die haar echtgenoot zeer beminde, verwijt de necromantiërs alle miserie met de ondoden van het afgelopen jaar en heeft zelfs plannen om de necropool van Keperen te laten sluiten. Dit stuit echter op groot verzet vanuit de overheid én de bevolking, die al een herhaling ziet van de ondoden-blokkage van Grijs de Nimro. Geen andere stad in Schoonstede was zozeer betrokken bij de laatste oorlog als Keperen. Thans wordt ze door de naburige steden, ‘de wevenstad’ genoemd, naar het grote aantal weduwen (‘weven’) dat hier woont.


Blickeren

Drost William van Driessen

Wachtmeester Dokus Munte

Stad van scheepsbouwers, kapitool van de houtbewerkers in Schoonstede. Hier in Blickeren wordt het ruwe hout uit Woudvoorde voor het eerst verwerkt tot onderdelen voor de grote zeeschepen, die in Schoonstede in de werven in elkaar worden gezet : boegbeelden, kielen, masten en ra’s ... alle onderdelen worden hier vervaardigd en in bulk met platbodems naar Schoonstede gevoerd via de rivier. Zo goed als de hele stad is op deze ambacht voorzien. 80 % van de bevolking zit hier in de scheepsbouwerij. De overige 20 % zijn de gewone ambachtslieden zoals jagers, bakkers en boeren. Het scheepsbouwersgilde is hier dan ook het sterkst vertegenwoordigd. De voorzitter is William van Driessen, die tevens ook Drost is. De gildemeester van het scheepsbouwersgilde in Blickeren is al sinds drie generaties automatisch ook Drost van de stad.


Alberghem

Drost Theodoor Twistdaele

Wachtmeester Wilfried Geybelsch

Alberghem ligt het dichtst tegen Halinus aan en dat is te merken. Hoewel het een kleine stad is, lijkt het wel Halinus in miniatuur : een heuse triomfboog (in hout weliswaar), een enorme tempel van de Draak, een stadhuis dat niet meer te zien is onder de beeldjes die de voorgevel overspoelen en schitterende uniformen voor de stadswachters. De nadelen van het overdadige leven zijn natuurlijk de torenhoge belastingen om dit alles te bekostigen. Theodoor Twistdaele regeert hier met ijzeren vuist en knijpt zijn onderdanen uit als citroenen. De inwoners van Alberghem leven op de rand van de bedelstaf en noemen zichzelf ‘slaven’. Dit wil Theodoor niet gehoord hebben en telkens er een inspecteur van Schoonstede of Halinus opdaagt, is er van armoede niet veel te zien. De inspecteurs keren steeds onverichterzake terug met een positief rapport. Zijn het slechts roddels en profiteert Theodoor slechts van zijn lucratieve handel? Of zit er toch meer achter? Er gaan ook veel geruchten de ronde over de roversbende van ‘De Eekhoorn’. De Eekhoorn zou een rover zijn die het Theodoor bijzonder lastig maakt en hij klaagt er dan ook veelvuldig over bij zijn meerderen in Schoonstede. Maar ook deze keer moeten inspecteurs van het rijk vaststellen dat de bevolking, wanneer ondervraagd, niks afweet van een roversbende. De ondervraagden halen steeds geheimzinnig glimlachend de schouders op en ontkennen iets te weten over een roversbende. Dit frustreert Theodoor enorm, maar hij staat er dus alleen voor.


Alsand

Drost Heirman Dietschald

Wachtmeester Marcus van de Wezel

Alsand is zonder twijfel het armste gat in heel Schoonstede. De stad zelf is niet meer dan een houten omwalling met een stel hutten en krotten als huizen. Het stadhuis is die naam nauwelijks waardig. Het is een hut die iets groter is dan de andere hutten van waaruit Heirman zijn beleid voert. Hij is echter meer bezig, net als de rest van de bevolking, met vissen en strandjutten, dan met het regeren van zijn ‘stad’. Schoonstede kijkt met lede ogen toe hoe Alsand steeds maar dieper wegzinkt in verval, maar doet er weinig aan. De Ruiter zal het tij wel doen keren als de tijd daar is ... kansen nemen en keren. Alsand wordt slechts op één moment in de Eternicaanse geschiedenis genoemd : hier was het dat de volksheld Owen Karinan met behulp van de bevolking van Alsand, een succesvolle campagne voerde tegen een aanval van Ulreichers. Toen er een vloot van die piraten voor de kust verscheen, liet hij de bevolking pektonnen aan elkaar binden en vormde met deze drijvende brandbommen een net. Toen de Ulreichers de tonnen tegen de romp van hun drakkers hoorden bonken, was het al veel te laat. Eén goedgemikte peil en de hele vloot ging in vlammen op. De aangespoelde, overlevende Ulreichers werden op het strand afgemaakt. Het zand van het gedeelte van het strand dat toen als ‘strijdperk’ diende, draagt nog steeds een rodere kleur dan de rest van de Eternicaanse kust. Misschien als waarschuwing aan de Ulreichers dat Eternica geen weerloze prooi is. Geen Ulreicher durfde sinds die dag nog ooit voet aan wal te zetten ter hoogte van Alsand.