Woudvoorde

Uit Eternipedia
Ga naar: navigatie, zoeken
caption

Inhoud

Wapenschild

De linkerhelft van het schild toont een zilveren boom met daarboven drie dwarse, zwarte pijlen, dit alles op een groen veld. Die pijl duidt op de legendarische spoorzoeker ‘de Zwarte Pijl’, een grote held die ooit in Woudvoorde woonde en de eerste schout van deze stadstaat werd. Toen Eternica nog jong was en Woudvoorde nog Waldgracht heette, werden de Waldgrachtenaars vaak aangevallen door roversbendes. Het was toen ook nog niet meer dan een dorp met een palissade. Op een dag echter kwam er bericht van de spoorzoekers dat er een grote roversbende Orks op weg was naar Waldgracht. Het was de roversbende van ‘le Sanglier’, een woeste Ork met enorme slagtanden. De bende was uit L’Empire du Dragon gevlucht en brandschatte nu de wouden rond Waldgracht. Toen de bende voor de poorten van Waldgracht stond, eistte le Sanglier de onvoorwaardelijke overgave van alle goederen en dieren uit het dorp. Indien ze weigerden, zou hij iedereen over de kling jagen. Toen trad een spoorzoeker naar voren, die de Ork toesprak met de volgende woorden : “Ik sluit met u een weddingschap af. Als ik erin slaag om deze pijl in de maan te schieten, dan keert u op uw passen terug en laat u Waldgracht voor twee generaties met rust.” De Orks bulderde van het lachen om deze onnozele weddingschap en ze namen het aanbod aan. Dus wachtte de dappere boogschutter tot het nacht werd en ging hij naar de Blauwe Stroom waar hij de maan schitterend vol in weerspiegelt zag. Hij nam een pijl, spande zijn boog en schoot in de maan in de rivier. Met het gevoel bedrogen te zijn, hief le Sanglier zijn eigen boog om de spoorzoeker te doorboren, maar die was sneller. Terwijl de orkenpijl naar de spoorzoeker suisde, floten al twee spoorzoekerspijlen naar de ork. Midden in de vlucht versplinterde één spoorzoekerspijl de orkenpijl terwijl de andere spoorzoekerspijl het hart van de Ork doorboorde waarop die dood neerviel. De andere Orks waren hiervan danig onder de indruk en dropen af. De inwoners van Waldgracht eerden de schutter om zijn listigheid en kunde en noemden hem ‘de Zwarte Pijl’. Hij werd de eerste officiële schout van Waldgracht. De pijlen worden in een wisselende volgorde op het schild gezet: voor elke pijl die op Eternica wordt geschoten zal Woudvoorde er twee terugschieten. De leuze van het Woudvoordense krijgersgilde, ‘Ien op òns does, twie op àu kas’, kent hier ook zijn oorsprong. Keizerrijkers hebben al meermaals aan de lijve ondervonden dat de Woudvoordenaar hun leuze echt wel menen.


De Groene Long van Eternica

“Wodda ghe guu kund aasheme”


Als er één ding is waarvoor Woudvoorde bekend staat, is het wel zijn uitgestrekte wouden. Bijna de hele stadstaat is ermee bedekt. Op de plaatsen van de verschillende steden is er natuurlijk een heleboel gerooid en hoe noordelijker je trekt hoe minder dicht de bebossing is, maar de wouden zelf overheersen duidelijk het landschap. De bossen rond Nederdraelbeeck, Weeldeghem en Tolbrugh worden zelfs consequent dicht gehouden om te dienen als natuurlijke verdedigingsmuur tegen het Keizerrijk. De woudlopers van de Schout houden de grens nauwlettend in de gaten en rapporteren meteen elke groep van meer dan 5 mannen die de grens oversteken. Niemand ontsnapt aan hun aandacht. Zij worden ‘de Wolvers’ genoemd om de manier waarop ze degenen opjagen die met slechte intenties de bossen betreden. Er is een behoorlijke militaire aanwezigheid om een eerste aanval vanuit het Keizerrijk te kunnen afslaan. De grenstroepen patrouilleren zeer regelmatig langs de grens en worden op hun beurt geruggesteund door de Wolvers. Houtvesterij en jacht zijn twee van de grootste bronnen van inkomsten uit deze stadstaat. Zeventig procent van alle hout komt uit de Woudenvoordse bossen. Gelukkig wordt er veel weer aangeplant. Nergens wordt zo grondig aan bosbeheer gedaan als hier. De cultus van de Maanwolf heeft hier haar belangrijkste plaatsen en wel met name in de steden Woudvoorde, Gulgaerden, Wesserlande en Nederdraelbeeck. In elk van deze steden staat een prachtige, houten blokhut, die ze delen met de spoorzoekers. De muren zijn getooid met pelsen en jachttrofeeën. Lange, eikenhouten tafels bezetten de ruime hal en de enorme ketels boven het immer brandende haardvuur zijn altijd gevuld. Reizigers kunnen hier steeds terecht om op adem te komen na een lange reis of een voorspoedige jacht. De meeste mensen wonen op het platteland en leven er hun leven uit als houtvester of schapenhoeder. De meer avontuurlijke Woudvoordenaar wordt lid van de spoorzoekers of tekent in bij de grenstroepen. Bezienswaardigheden in Woudvoorde zijn de dam van Meert, de woudlopershallen natuurlijk en de jachttoren van Kerselach.


Woudvoorde kort

65.000 inwoners in de stad

175.000 inwoners in de dorpen en gehuchten

165.000 inwoners in de bossen

150.000 dienaren

Schout: Gregorius Wulvevrindt

Baljuw: Walter Van Baeckermael


De taal

Net zoals ‘s Graevensburchte ligt Woudvoorde op de grens met L’Empire du Dragon. En net zoals in ‘s Graevensburchte spreekt een woudvoordenaar met een Brussels accent (vervang de meeste klinkers door uu’s en oa’s). Maar in tegenstelling tot ’s Graevensburchte kent Woudvoorde ook enkele Pictische invloeden op de taal. Dit zorgt ervoor dat het Woudvoords platter en boerser klinkt dan het ‘s Graevensburchts. Een discussie in een Woudvoordse herberg klinkt dan ook al gauw als een bende ‘s Graevensburchtenaars die net een grote hap van een te hete aardappel hebben genomen. Ironisch is dat, aangezien het streekgerecht van Woudvoorde ook hete frieten is.


De Harding

‘De Harding’, eerst ingevoerd door Eroix, bisschop van de Wolf in 92 stelt dat eenieder die een boom omhakt een nieuwe moet planten op dezelfde plaats en dat men enkel een wezen of dier mag doden uit noodzaak, hetzij uit zelfverdediging, hetzij om te eten of hetzij om de wet te handhaven. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de bossen omheen Woudvoorde nagenoeg even rijk en wild zijn als vijfhonderd jaren geleden. Natuurlijk zijn er talrijke stropers die ‘de Harding’ proberen te omzeilen, maar dat zijn meestal vreemdelingen die nog niet gehoord hebben van de vloek die rust op allen die de wet overtreden. Regelmatig worden er lichamen in de bossen gevonden van gevilde mensen. Hun huid vind men meestal in de buurt, netjes afgestroopt, met enkel vier diagonale scheurwonden over het hart. In Woudvoorde vraag je best niet naar zulke zaken als je nog handel wil doen. De Wolvers (dit is de naam van de spoorzoekers die hier werken) vervullen hier niet alleen de taak van gidsen door het bos. Hier hebben ze ook een militaire taak te vervullen. Het zijn grenswachters, die de bossen tussen Eternica en het Keizerrijk nauwlettend in de gaten houden. Ze werken rechtstreeks onder het commando van Annelore Lunaris, de 20-jarige dochter van Gregorius en zelf al een Grootmeesteres. De Wolvers hebben haar allen lief en volgen haar blindelings. Zij is vaak temidden van hen, trekkend door de Woudenvoordse bossen, veel vaker dan dat je ze kan aantreffen in de hal van de woudlopers of in de stad. Veel vaker dan Gregorius lief is ... Wolvers hebben een bijzondere status in Woudvoorde. Ze moeten overal gastvrijheid krijgen, op straf van een zware boete. Iedere inwoner van Woudvoorde zal dit echter ook zonder klagen doen, daar ze goed weten wat voor belangrijk werk de Wolvers doen.


De necropool en de rivier

Dienaren worden veelvuldig ingezet om bomen te hakken. Het is gevaarlijk werk waar de houthakkers graag gebruik maken van de ondoden. De necropool bevindt zich net buiten Meert en kampt met het probleem dat hij lager ligt dan het niveau van de nabijgelegen stroom. Dat komt omdat het peil van de rivier gestegen is sinds de bouw van de dam in Meert. De Grootmeester van de Balsemers van de necropool heeft al vaak gevraagd om de sluizen van de dam meer open te zetten, maar de burgemeester van Meert bestrijdt dit omdat het peil van de rivier dan drastisch zal zakken en er langs de rivier vele zagerijen gelegen zijn die werken op waterkracht. Het principe van een zagerij die draait op grote molenraderen komt uit Medina en wordt nu in Woudvoorde uitvoerig gebruikt. Moest het rivierpeil dalen, betekent dit dat de zagerijen aan de rivieroever nutteloos worden en dan verliest Meert zijn inkomsten. Uiteindelijk betekent dit dat de necropool van Woudvoorde blijft kampen met vochtigheid wat bijzonder slecht is voor de lichamen.


Slotenmaeckers

Weinig Sevenkruysenaers zullen het willen toegeven, maar de beste sloten komen uit Woudvoorde. Dit mag misschien vreemd lijken omdat er voornamelijk hout wordt gewonnen en geen metalen, maar toch is het evident dat Woudvoorde een hele sloten-industrie kent. Ten eerste heeft Woudvoorde de laatste jaren de beste edelsmeden aangetrokken die aangezogen werden door de goudkoorts. Ten tweede is een ketting zo sterk als zijn zwakste schakel: wil een handelaar dus een veilige koffer, dan moet hij niet alleen een uiterst stevig slot hebben, maar ook een onverwoestbare koffer. En als ze in Woudvoorde van één ding iets afweten, dan is het wel hoe ze met het hardste hout de meest elegante voorwerpen kunnen maken. Ten slotte is er ook een meer ‘wereldlijke’ reden: de armoede. Woudvoorde is de armste stadstaat in Eternica, zelfs nog armer dan Moerseynde. Om de weinige rijkdommen veilig te stellen zijn dus de beste sloten nodig.

Creatieve slotenmakers

Klik, draai en twist Ik voel de spanning in me opbouwen Klik draai en twist Ik haal een nieuw werktuig uit m’n mouwen Als de laatste val is verdwenen En mijn doel is bereikt Hoef ik nooit meer een brons te lenen Doch niets is wat het lijkt Zie het slot daar uitdagend staan Maar ik weet van talrijke kornuiten Die met volle wapenuitrusting aan De noeste deur wilden ontsluiten En nimmer naar huis zijn terug gegaan Klik draai en twist Ik concentreer me op de laatste val Klik draai en twist KNAL


Houtbewerkers

Woudvoorde is het centrum voor de houtbewerkers. Met beitel, hamer, figuurzaag en vijl maken ze de kunstigste voorwerpen uit hout. Van kistjes en deuren tot zuilen en koetsen, van kunstige beeldjes tot volledige wandmeubelen … nergens in gans Eternica is de houtsnijkunst zo verheven als hier. Leerlingen komen van heinde en verre om bij de houtbewerkers in de leer te gaan. De Woudvoordse bossen zijn immers ook bekend om hun grote variëteit aan soorten bomen. Alleen hier vind je bijvoorbeeld het Zwarte Hout, dat bijzonder hard is en zeer moeilijk te bewerken. De zeldzame bloedolm en de zilvereik vind je hier ook. Alleen Meesters mogen deze bijzondere bomen vellen en bewerken.


Sagen en Legenden

De uitgestrekte en vaak donkere bossen zijn altijd een bron geweest van verhalen en legenden. Tijdens de lange winteravonden vertellen grootouders aan hun kleinkinderen verhalen over hoe kleine kinderen verdwalen in de bossen, van het goede pad geleid worden door slechte bosgeesten, opgegeten worden door mooipratende wolven, verleid worden door heksen die snoep uitdelen om dan zelf opgegeten te worden, over ongehoorzame kinderen die door toverschoenen eeuwig moeten dansen of over luie kinderen die hun werk niet doen en vol zwarte pek gegoten worden. Via deze legendes en verhalen proberen ouders hun kinderen de gevaren bij te brengen die in het woud huizen. De verhalen worden in ruil voor een kom soep door barden echter ook kundig verteld aan volwassenen, die graag een avondje willen griezelen aan het haardvuur. Vaak wordt vergeten dat er meer waarheid zit in deze sprookjes dan Jan-met-de-pet wil geloven…


Klompdansen

In gans Eternica zijn ze beroemd : de klompdansers van Woudvoorde. Elke stad, elk dorp en elk gehucht heeft zijn clubje klompdansers. Alleen volwassen mannen mogen deelnemen. Deelname aan klompdansen wordt in Woudvoorde aanzien als het toetreden tot de volwassenen. Klompdansen is dan ook meer dan een gewone volksdans. Het is een ritueel van het man-worden. Een klompdans wordt uitgevoerd met de blote voeten in de houten klompen, die de danser zelf heeft gesneden. Pas na vele maanden van oefenen kan de danser de pijn verdragen die het dansen met blote voeten teweeg brengt. Een dans is slechts dan geslaagd wanneer de danser de volle 15 minuten kan uitdansen met een glimlach op de lippen.


Woudfestival

Elk jaar is er het woudfestival dat in elk van de steden in Woudvoorde wordt gehouden. Het duurt een week en in die periode worden allerlei wedstrijden gehouden zoals boomstamwerpen, stronken klieven, nageltje klop, klompdanswedstrijd, hamerslingeren, bijlwerpen, boogschieten, taarten eten… Op het einde van het festival wordt de Woudkoning gekozen. Deze eretitel wordt gegeven aan de jager die de meest indrukwekkende buit heeft kunnen binnenhalen gedurende de week van Woudfeesten. De Woudkoning mag dan een koningin kiezen en gaat voor in het bal dat de Woudfeesten afsluit.

Lokale Gilden & Hanzen

Wodad ge goat om te fakke


Alle Gilden en Hanzen van Woudvoorde bespreken zou natuurlijk wel kunnen, maar het is nuttiger om alleen die organisaties te bespreken om de één of andere reden in Woudvoorde uniek zijn.


Gilde der Spoorzoekers ‘De Wolvers’

Grootmeester Merel Wulvevrindt

Spoorzoekers uit dit gilde worden in gans Eternica beschouwd als een elitegroep. De voorwaarden tot toetreding zijn veel strenger dan bij andere spoorzoekersgroepen en het beleid is ook een stuk strenger. Dat moet ook wel want elke fout hier kan betekenen dat er een gat komt in de grens, gevormd door de bossen van Woudvoorde. De Wolvers hebben een grote verantwoordelijkheid en worden daarom nooit lichtzinnig het woud ingestuurd. Alle Wolvers zijn ook goed bekend met de Orkenstammen die hier wonen. Ze moeten tijdens hun opleiding een maand doorbrengen in een Orkenstam om te leren omgaan met deze woudbewoners. Er is een afspraak met de Orks dat de aspirantwoudlopers ook daadwerkelijk les krijgen van de Orks en dat de aspiranten ongeschonden worden terugbezorgd na hun stage. Over de term ‘ongeschonden’ werd in het verleden al wel eens gediscussieerd. Wolvers krijgen in hun opleiding de verhalen van de voorouders die stichtende voorbeelden zijn voor de Wolvers van vandaag. Zo zijn Agard Wulvevrindt, de Zwarte Pijl en Sygard, zoon van Thorman, drie helden wiens verhalen de woudlopers zeker te horen krijgen. De spoorzoekers worden hier ongetwijfeld beschouwd als het belangrijkste gilde. Wanneer een patrouille soldaten dan ook plots een woudloper uit de struiken zien stormen en van hem het bevel krijgen om hem te volgen, zullen ze niet twijfelen en zich achter de woudloper scharen. Dat is meestal geen kwestie van ‘chain of command’, maar van overleven!


Gilde der Krijgers ‘De Bieste’

Grootmeester Guy Tartarin

Deze Keizerrijkse Gildemeester houdt de teugels hier zeer kort. Weinig afdelingen van het krijgersgilde is zo streng gereglementeerd als dit. Tartarin, bijgenaamd ‘l’ours’, is een ongenadige, harde Grootmeester, maar hij heeft de naam één van de beste te zijn. Hij gaat zijn krijgers voor in de strijd, in plaats van achter de linies plaats te nemen en heeft een legendarisch tactisch inzicht. Oorspronkelijk was hij één van de kapiteins van de markies de Berancourt en maakte deel uit van de krijgsmacht die Reitze binnenviel in de tijd van de mithrilonlusten. Hij was er getuige van hoe de Berancourt rare dingen begon te doen en het duurde niet lang of hij desserteerde. Hij trok dieper Eternica in en belandde in de bossen van Woudvoorde, waar hij een leven leidde als struikrover. Hij verzamelde een bende om zich heen en zijn manschappen noemden hem ‘l’ours’ omwille van zijn postuur. Toen hij 7 jaar geleden werd opgepakt door de schout Gregorius Lunaris, erkende Lunaris in hem een schitterend strateeg en een schitterend krijger. Lunaris bewonderde ook de moed en eerlijkheid van Tartarin. In plaats van hem te onthoofden, bood hij hem een plaats aan in het krijgersgilde en Tartarin aanvaardde. De meesten van zijn bendeleden vergezelden hem trouwens en werden zijn persoonlijke lijfwacht, die ‘de Dassen’ worden genoemd, wat ook de naam was van hun roversbende.


Gilde der Houtbewerkers ‘D’Outhakkers’

Grootmeester Tannerd Bleyleeven

De houthakkers genieten grote faam in gans Eternica. Vanuit alle grote steden komen hier bestellingen toe voor houten kunstvoorwerpen van alle afmetingen. Ook leerlingen stromen toe vanuit andere stadstaten om hier te leren van de besten. De Grootmeesters Tannerd Belyleeven, Mathys DeCouter en Wiebe van Spikdoorn leiden de drie opleidingscentra, respectievelijk in Woudvoorde, Denterbeeck en Spikdoorn. Elke school is tevens een kunstwerk op zich, waar constant aan gewerkt en verbeterd wordt door de studenten. De houtbewerkers werken ook samen met de plaatselijke alchemisten om steeds beter en efficiënter vernis en verfstof uit te vinden. Ook speciale bestellingen voor toverstaven worden hier uitgevoerd. De bijzondere houtsoorten, die daarvoor nodig zijn, kan je immers ook alleen hier vinden. Alleen Grootmeesters mogen deze bijzondere houtsoorten behandelen. De grootste bestellingen komen ongetwijfeld van de schepenbouwers van Schoonsteede.


Gilde der Boomdansers ‘De Buumtapette’

Grootmeester Antoon Steveraert

Een uniek gilde dat alleen in Woudvoorde voorkomt zijn de ‘Boomdansers’. Eéns in de maand worden alle gerooide bomen door trekpaarden naar de Blauwe Stroom gesleept en daar dan in de rivier gegooid en bij elkaar gehouden door een lang touw met vlotters. De omtrek van zo’n ‘vlot’ (of de lengte van het drijvend touw) kan gaan tot 200 meter. Op elk vlot springen er drie Boomdansers, die meevaren op de vlotten om ze te sturen en vlot te duwen, indien ze ergens komen vast te zitten. Dit is zéér gevaarlijk werk omdat de boomstammen in de grote vlotten niet vastgemaakt worden en de boomstammen in het water dus vervaarlijk kunnen draaien en rollen. De Boomdansers springen van stam naar stam en maken gebruiken van een stok van 6 meter lang met een haak op het einde. Ze worden langs de oever begeleidt door collega’s die zich paraat houden in het geval van een ongeluk. De Boomdansers krijgen veel geld voor hun gevaarlijk werk, maar de meesten doen het niet lang. De gevaarvolle tocht over de Blauwe Stroom vraagt teveel van de zenuwen van de Boomdansers.


Gilde der Brouwers ‘Den Lambictappers’

Grootmeester Thierry Malheurs

Alleen in Woudvoorde groeit de zeldzame Blauwe Waterhop aan de oevers van de Blauwe Stroom. De plant groeit in het ondiepe water in grote hoeveelheden. De boeren die de hop oogsten moeten wel oppassen voor de geelgeringde waterslang, die hier leeft. Het dier is bijzonder giftig en in de periode dat de slangen nesten maken, zijn ze bijzonder agressief. Ondanks dat er maar één soort hop groeit, pakt Woudvoorde toch uit met wel 7 verschillende bieren. Het geheim van de verschillende smaken ligt hem in de verschillende houtsoorten die gebruikt worden om vaten mee te maken. Door het rijpingsproces in vaten van houtsoorten die typisch zijn voor Woudvoorde, krijgen de brouwers hier 7 hoogstaande bieren, die over gans Eternica verspreid worden.


Hanze der Mercantilisten ‘De ruujen (de roden)’

Grootmeester Bernice Calhoen

Handelaars volgen altijd de natuurlijke bronnen van de streek. De handelaars in Woudvoorde zijn dan ook voornamelijk houthandelaars. Zij zijn het ook die moeten zorgen voor de materialen die in Woudvoorde zelf niet zo veelvuldig voorhanden zijn. De import is voor de plaatselijke nijverheid van levensbelang. Gelukkig volstaan de fondsen die worden opgebouwd met de houtverkoop meer dan voldoende om Woudvoorde te voorzien van metaalerts, graan en vee bijvoorbeeld. Bernice heeft hier als eerste een uniek systeem opgebouwd. Omdat Woudvoorde rijk is aan hout en jachtbuit, maar arm aan zo goed als alle andere grondstoffen, heeft zij gekozen voor een systeem van een ‘commune’. Alle handelaars zijn zowiezo verenigd in het gilde van Woudvoorde en ze moeten alle inkomsten afstaan aan het gilde. In ruil hiervoor krijgen ze maandelijks een vaststaande vergoeding en een vastgestelde hoeveelheid handelswaar om te verkopen. Niet iedereen vindt het een goed idee, maar Bernice is nogal recht voor de raap. Wie zich hier niet goed bij voelt, mag vertrekken. De mercantilisten van Woudvoorde kende recent een grote groei van hun macht invloed onder de goudkoorts in Wheeldghem. Nadat de goudkoorts was gaan zakken was er even een zo mogelijk nog grotere euforie toen bleek dat er ook mithril was te vinden. Jammer genoeg werd de mithrilhandel door de overheid aan banden gelegd, zodat Woudvoorde niet zomaar kon verhandelen wat het wilde. Er gingen wel geruchten van een uitgebreid netwerk van smokkelaars, maar nooit zijn daar bewijzen voor geweest. Recent is de mithril weer even mysterieus verdwenen als dat ze gekomen was. Met het gouddelven zou het dan weer beter gaan.


Gilde der Artiesten ‘‘T Dwarrelend Blad’

Grootmeester Ergun Wildemeersch

Net als de artiesten in de rest van Eternica heb je hier de verschillende disciplines waarin artiesten zich bekwamen. Nochtans specialiseren de artiesten in Woudvoorde zich in één bijzonder gevaarlijke, maar knappe discipline : evenwichtskunsten. Deze artiesten spannen dikke touwen over rivieren en kloven heen en wandelen over het touw met of zonder hulp van een meters lange stok. Er zijn er zelfs die leren lopen over de takken van de bomen in de dichte wouden. Twijglopers, worden ze genoemd. Ze zoeken en prepareren routes en rennen zo over kilometers van boom tot boom... rennend en springend. Erguns zoon, Dieter Wildemeersch, is er zelfs onlangs in geslaagd om alleen op zijn handen over een touw te lopen, dat naast de grote dam van Meert was gespannen. Kwade tongen beweren dat hij een verbond had gesloten met luchtgeesten uit het woud, die hem rechtop hielden. Maar Ergun is trots op zijn zoon en droeg hem voor als Grootmeester. Dat werd echter nog niet aanvaard door de gilderaad.


Hanze der Bezweerders ‘Copeins van de Satyr’

Torenmeester Bernard Vandermeert

Woudvoorde is een echte Oost-Kaltrische staat: tovernaars zijn er niet graag gezien en vaak worden ze snel als demonoloog bestempeld en verbrand door een woedende menigte. Het welig tierende bijgeloof in Woudvoorde helpt de gebruikers van bovennatuurlijke magie niet. Terwijl de necro’s oogluikend worden toegelaten (zolang ze hun necropool maar niet verlaten) bestaat er geen Hanze der Magisters. Bezweerders daarentegen zijn een heel ander verhaal: de eeuwenoude verdragen tussen de Spoorzoekers en de Bezweerders zorgen ervoor dat de gebruikers van deze beschermende magie niet (vaak) op zicht worden aangevallen. Toch is het verstandig voor een bezweerder om zich voor te doen als adviseur/lid van het spoorzoekersgilde.


Kroegen & Herbergen

Watter te fretten en te zuppe valt


‘Voif Pintjes’ : Den kroeg vande den houtbewerker

De ‘Voif Pintjes’ is de plek bij uitstek in Woudvoorde waar de houtbewerkers samenkomen. Buiten aan de deur hangt een grote hand waarvan de pink en ringvinger ontbreken. Eén pintje bestellen is geen probleem, twee ook niet. Maar als je vraagt om drie pintjes dan krijg je (en betaal je) er automatisch voor vijf.


‘Den Slappe Zwans’ : Zoipende tappette

Een van de meest vreemde kroegen van Eternica is zonder twijfel Den Slappe Zwans. Ten eerste is het zeer moeilijk te vinden: ergens in de wouden rond Baeckermael, in de hoogste boom, zijn een aantal slappe koorden gespannen. Al deze touwen leiden naar een net hoog boven de grond. Je moet dus al zeer handig zijn en een goed gevoel voor balans hebben om er te geraken. Het hoeft niet te verwonderen dat er in Den Slappe Zwans voornamelijk artiesten zitten. Als je er eenmaal geraakt dan is het wel meer dan de moeite waard: de optredens zijn van de hoogste kwaliteit, het bier vloeit er rijkelijk en je moet niet opstaan om je behoefte te doen... Na elk optreden worden er punten gegeven aan de artiest in kwestie. Als het strenge publiek je een onvoldoende geeft dan wordt je als artiest in een lang touw gerold en gekneveld aan een hoge tak opgehangen. En dit tot sluitingstijd. Vandaar dat beginnende artiesten graag heel laat hun optreden geven.


‘Den Grubbit’ : Gat under de grond

Bartje Bilbers was zodanig onder de indruk van de sprookjes van Johannes Tolkenaas dat hij zijn kroeg naar diens meest bekende sprookje heeft genoemd. En niet alleen de naam, maar ook heel de inrichting van de taverne is aangepast aan het sprookje: een grote, ronde deur, aan de rand van een heuvel, is de opening naar een feeërieke taverne. Op de kaart staan dingen zoals een tweede ontbijt en pijptabak; allemaal uit de sprookjes van Tolkenaas. Aan de muur hangt een (veel te) grote blauw-grijze tovenaarshoed, en in een andere hoek staat een beeld van een ziekelijk ogend creatuur dat voor een spiegel staat. Het beeld is wel knap, ware het niet dat iemand in het voorhoofd ‘necro’ heeft gekerfd. De tabak is er van de hoogste kwaliteit maar Bartje wil niet vertellen waar hij ze vandaan haalt. Er gaan echter geruchten dat Bartje hulp zou krijgen van een aan tabak verslaafde Dryade... die wel houdt van de sprookjes van Tolkenaas.


‘De Jager’ : Goe zot as ge dô notoe goat

Deze donkere kroeg wordt naar verluid uitgebaad door een ex (maar dat is niet zeker) Zwarte Maanwolver. De herberg staat in het zwarte hart van het woud van Woudvoorde en is niet makkelijk te vinden. Waarschijnlijk komen er soms verdwaalde reizigers terecht, maar nog nooit hebben die het kunnen navertellen. Er wordt beweerd dat de verdwaalden de nacht in gestuurd worden voor een grootscheepse jacht, georganiseerd voor de klanten van de jager. Die klanten zijn spoorzoekers en wolvers van het hardste soort. Vechtpartijen zijn hier dagelijkse kost en een arena in het midden van de herberg nodigt iedereen uit om daar zijn problemen te betwisten. Het bier is donker en bitter en wordt enkel in halve liters geschonken, want minder is voor mietjes.


‘‘t Dwarrelend Blad’ : Roarste caféboas van’t land

Mensen, dwergen, elfen en orken hebben zo elk hun eigen herbergen. En elke keer weet je toch ongeveer waaraan je je moet verwachten. Maar bij een goblinherberg kan je altijd voor verassingen staan. Het Dwarrelend Blad is zo een gekke herberg: de vloer staat er immers nooit vast. Elk deel van de herberg is een platform dat door ingewikkelde constructies rond een grote oude eik roteert. Dat zou allemaal heel knap zijn, ware het niet dat de platformen niet erg goed op elkaar zijn afgestemd: het kan dus wel even duren voor je van het ene naar het andere kan overstappen. Om die reden wordt het Blauwe Platform gemeden: de laatste klant heeft 3 weken moeten wachten voor hij kon overstappen op een ander platform. Als het werkt is het wel prachtig: de platformen zijn gemaakt als grote houten bladeren die rond de reusachtige eik dwarrelen. de ingang is een prachtig uitgesneden wenteltrap die de bezoeker tot net boven het bladerdek brengt. Het uitzicht over de Woudvoordse bossen is adembenemend.


‘Den Maenenschael’ : Wodda d’elfe zitte

Het Elfenwoud is ver van Woudvoorde, maar de bossen rond Woudvoorde bieden voldoende groen om toch enkele elfengemeenchappen een thuis te geven. In een van die elfenenclaves vind de gelukkige woudloper Den Maenenschael. Diep in het Donkerwoud, dicht bij Reyckvoerde, staan enkele reusachtige witte berken. De berken rijzen meters hoog, hoger dan de omliggende bomen, en daar waar de kruin van de bomen begint spinnen de takken van de verschillende berken een dicht netwerk van gegroeid hout. Wie goed kijkt ziet kleine feetjes tussen de takken vliegen en vind na even zoeken een trap die rond een berk omhoog draait. Boven, tussen de witte, egale takken worden slechts de fijnste wijnen geschonken en zitten bosgeesten vriendschappelijk aan tafel met oude woudlopers en Eenzame Wolven. Sinds de inval van het Al is er geen spoor meer van Den Maenenschael, noch van de berken of de Berk-elfen die in de buurt woonden. De voormalige stamgasten lijken zich hun oude stamkroeg zelfs niet meer te herinneren...


Dorpen & Streken

Durpe en neige cotés


Woudvoorde-Stad ‘De Gruune Stadt’

Drost Gregorius Wulvevrindt

Wachtmeester Timeon Van Vederen

In de hoofdstad van Woudvoorde vinden we een paar merkwaardige bouwwerken. Ten eerste is er de grote hal van de spoorzoekers en de Maanwolvin. Deze hal is de grootste van allemaal. Alleen al aan de lange tafels biedt ze plaats aan 500 genodigden. Opvallend is het gigantische wolvenhoofd, uit hout gesneden, dat boven de ingang hangt. In de grote hal hangt boven het haardvuur een enorme houthakkersbijl. Het is de bijl van Thorman, de vader van de held Sygard en bouwer van deze grote hal. De bijl werd door de Maanwolvin gezegend en mag alleen nog gebruikt worden wanneer de hal wordt aangevallen. De legendes verhalen dat wanneer een priester de bijl gebruikt om de hal te verdedigen, de Maanwolvin naast hem mee zal komen strijden aan zijn zijde. Ten tweede is er het houten aquaduct, gemaakt van watervast oerdennenhout, dat loopt vanaf de Blauwe Stroom tot in de stad. Het vult er de grote, houten watertoren in het midden van de stad. Er lopen zeven leidingen uit het reservoir die elk uitkomen in een pomp, die toegankelijk zijn voor iedereen. De monden van de pompen stellen de zeven goden voor in diervorm. Iedereen mag zich hier bedienen aan de pomp van de godheid die hij vereert. De spuitkoppen zijn gemaakt van Zwart Hout en weerstaan de eeuwen zonder problemen. Woudvoorde is altijd al de thuishaven geweest van het trotse geslacht Wulvevrindt. Zij zijn afstammelingen van de grote Agard Wulvevrindt, die de strijd aanbond met de eerste draak die uit het Keizerrijk, Eternica binnenviel. Met zijn bijl ‘Hoornsplijter’ doodde hij de draak, maar kwam zelf om toen hij door het enorme lijf verpletterd werd. Het geslacht Wulvevrindt heeft daarna altijd bestaan uit grote leiders, die de Woudvoordenaars naar de overwinning leidden. De laatste telg van het geslacht, Gregorius’ dochter Merel, heeft zich ondertussen ook al bewezen als leidster van de Wolven. Door recente ontwikkelingen met de Skeeveninvasie is Woudvoorde een puinhoop: alle vormen van recht en orde zijn verdwenen, de hongersnood dreigt en de broedermoord is schering en inslag. Dit alles omdat de inwoners van Woudvoorde niet meer zijn wat ze waren. Letterlijk dan. Door een vreemde ontploffing in de rioleringen kwam er een kwalijke riekende rookwolk vrij die een vreemde ziekte met zich meebracht. Eerst dacht men dat het die vuile bezweerders wel waren, omdat de wolk rook naar wierrook. Maar al snel bleek dat de ziekte niets met bezweerders had te maken. De Knaagpest veranderde alle inwoners langzaam in ratmensen, ook wel Skeevens genoemd. De wolk bleef enkele maanden hangen rond de stad en de meeste Woudvoordenaars hebben ondertussen al een staart en grote oren. Sommigen zijn zelfs al helemaal Skeeven! Om de situatie onder controle te houden heeft het spoorzoekersgilde een hermetisch afgesloten cordon rond de stad gelegd. Maar sinds de wind is komen opzetten is de situatie nog moeilijker geworden. Het cordon werd zo groot dat de omliggende dorpen, gehuchten en kleine steden ook in het cordon vielen. Wie toch trachtte zonder toestemming door het cordon te geraken werd zonder pardon door de meesterschutters van de spoorzoekers doodgeschoten. Thans is de situatie terug langzaam aan het stabiliseren en wordt reizen in Woudvoorde opnieuw mogelijk.


Kerselach ‘Tolhaven’

Drost Adelbrecht Gierlande

Wachtmeester Sofie Voorslaeghers

Kerselach ligt op de weg tussen de stad Keperen in Schoonstede en de stad Neffen in Spieckelspaede. Het heeft een heel belangrijke ligging omdat het tol kan heffen op de weg tussen beide steden. Wie geen tol wil betalen, moet rond Woudvoorde trekken, door de onherbergzame wouden. Dat wil niemand. Iedereen betaalt dus tol en dat maakt van Kerselach de rijkste stad van Woudvoorde. Zowel Schoonstede als Spieckelspaede hebben bij de raad van 21 al vaak klacht ingediend tegen de handelswijze, maar tot hiertoe heeft de raad nog niks kunnen doen. Als heer Wulvevrindt erover wordt aangesproken, dan haalt hij zijn schouders op en mompelt lakoniek dat dat Kerselachs zaak is. Dan is er ook nog de grote jachttoren in het midden van de stad. Hij is met zijn 185 meter het hoogste, houten bouwsel dat bestaat. In deze uitkijktoren zitten altijd twee wachters, die per halve dag worden afgelost. Er wordt gezegd dat deze wachters beschikken over magische middelen om de omgeving af te speuren, maar daarover is geen officieel standpunt.


Noorderbossche ‘t Dorp van de veraajers’

Drost Cyar Groeneveld

Wachtmeester Almon Duyzendblad

Noorderbossche ligt het dichtst bij Schoonstede, hoewel de grens met Halinus ook niet ver is. Misschien is het omdat Noorderbossche dichter tegen Schoonstede ligt dan tegen gelijk welke stad van Woudvoorde dat de stad zo Ruiter-gezind is. Je vindt er zelfs een kleine tempel gewijd aan de Ruiter, waar je kan gokken en spelen voor grof geld. Natuurlijk is de Maanwolvin ook hier vertegenwoordigd, maar het schrijn ligt er een beetje verlaten bij. Er is nog één priester, maar die vind je tegenwoordig vaker in de kroeg dan aan zijn schrijn. De bossen rondom Noorderbossche werden ook zwaar getaxeerd toen er veel hout nodig was om Halinus te herstellen van de aanvallen van het AL. Dat betekende natuurlijk ook dat al het leven uit die bossen moest verdwijnen. De meeste inwoners van de bossen rond Noorderbossche vonden een nieuwe stek zuidelijker. De dieren volgden de mensen, maar de weerwolven waren minder inschikkelijk. Er huisden er 5 in die bossen en ze wilden hun jachtgronden niet zo snel opgeven. Er was een patrouille van 10 ridders van Halinus voor nodig om de weerwolven uit te schakelen. De rest van Woudvoorde was niet te spreken over de manier waarop het stadsbestuur van Noorderbossche met de situatie had afgerekend. Misschien ook daarom dat kwatongen insinueren dat Noorderbossche zich beter zou aansluiten bij Schoonstede.


Spikdoorn ‘Woda de schuunste kaskes en toafels vandoan komme’

Drost Heindert van Spikdoorn

Wachtmeester Tilly Graendert

Spikdoorn ligt betrekkelijk noordelijk in Woudvoorde. Het is overwegend een militaire stad. Er is een grote aanwezigheid van soldaten vanwege het trainingskamp dat hier gesitueerd is. Heindert van Spikdoorn is een oorlogsheld uit de oorlogen tegen het Keizerrijk en hij is behalve Drost in de stad ook opperbevelhebber van de lokale troepen. Er is hier ook nog het opleidingscentrum voor houtbewerkers onder leiding van de jongere broer van Heindert, Wiebe van Spikdoorn. De broers zitten beide in de stadsraad natuurlijk, maar ze hebben nogaleens een meningsverschil. Heindert wil in de stad orde en regel opleggen zoals hij doet bij zijn soldaten en zijn kadetten. Wiebe houdt er meer van om de mensen zelf te laten beslissen wat goed voor hen is. Hij wil hen verantwoordelijkheid bijbrengen. Dit verschil in mentaliteit binnen het stadsbestuur, leidde al vaker tot conflicten waarbij aanhangers van Heindert slaags raakte met aanhangers van Wiebe.


Gulgaerden ‘Vande den famile Forster’

Drost Eryn Sluypers

Wachtmeester Victor van Hemelen

In Gulgaerden staat natuurlijk één van de drie grote blokhutten waar spoorzoekers en aanhangers van de Maanwolvin steeds terecht kunnen. Maar dat is slechts één reden waarom Gulgaerden belangrijk is. Ten eerste ligt de stad aan het Middelmeer en ten tweede beheerst ze de toegangsweg in Woudvoorde vanuit Spieckelspaede. Het is ook de thuis van de familie Forster, die al sinds generaties Eternica’s meest vooraanstaande meerscheepsbouwers zijn. Deze scheepsbouwers zijn gespecialiseerd in meersloepen, rivier-aken en platbodems. Deze houtbewerkers hebben geen gildenaam gekregen omdat het gaat om slechts één familiezaak, maar ze trachten wel om die naam te verwerven. Halinus heeft al vaak laten weten dat zolang de zaak ‘slechts’ een familiebedrijfje is, het geen gilde kan zijn, maar de familie blijft aanvragen insturen. De bal is aan het rollen gegaan voor deze familie in het jaar 235. In die dagen werden er roeiwedstrijden gehouden tussen Meert en Gulgaerden en het waren de voorouders van de Forsters die elk jaar met de prijs gingen lopen. Het was te danken aan hun unieke manier van het bouwen van hun bootjes dat hen telkens de overwinning schonk. Tussen pot en pint moet een vriend ooit gezegd hebben : ‘Waarom verkoop je die bootjes niet?’ en zo is het familiebedrijf begonnen. De boten, die bekend staan als ‘Fosterkes’, vind je in gans Eternica terug.


Meert ‘Schuune dam’

Drost Hugo Weerving

Wachtmeester Yolan Drieluyken

Meert is natuurlijk vooral bekend omwille van zijn dam, maar de dam brengt heel wat meer mee. De dam maakte dat de Blauwe Stroom hier een heel stuk breder werd en aan de nieuwe oevers van de Stroom werden watermolens gebouwd. De grote raderen van de molens doen hier echter geen graanmolens draaien, maar wel jagen ze enorme zaagbladen dag in, dag uit op en neer. De zagerijen van Meert staan bekend om hun snelle efficiëntie en vanuit gans Woudvoorde stromen de bomen hierheen, hetzij over de rivier onder leiding van de Boomdansers ofwel via de weg op grote karren. Het was de ontdekkingsreiziger en Woudvoordenaar Willem Havenaers, die het idee heeft meegebracht uit Medina, waar deze methoden blijkbaar al eeuwen veelvuldig gebruikt worden. Rijk is hij er niet van geworden, want tijdens de constructie van de eerste watermolen, onder Havenaers’ toezicht, werd Havenaers ongelukkigerwijs gedood door het schoepenrad dat per ongeluk loskwam en de arme man verpletterde. Kwade tongen beweren dat Havenaers’ geest er nog ronddwaald, maar veel merken de Meerters daar niet van. Tien trotse watermolens prijken thans aan weerszijden van de Blauwe Stroom en het geluid van de op en neer glijdend zaagbladen (van elk wel drie meter lang) gonst constant over het water. De necropool is echter een doorn in het oog van Meert. De Balsemers en Necro’s hier klagen steen en been omdat ze nu, door het verhogen van het rivierniveau, de ganse tijd met natte voeten zitten. De stad heeft al veel geïnvesteerd om de necropool waterdicht te maken, maar het water blijft zijn weg vinden. De Balsemers hebben al gedreigd om geen dienaren meer te leveren als de situatie niet verbeterd, maar de staat verplicht hen hun contracten na te komen. Er zijn al drie inspecteurs vanuit Halinus geweest om ter plekke de zaak te bekijken, maar de conclusie is steeds dezelfde : het is té duur om de necropool te verplaatsen en omwille van de zagerijen kan ook de dam niet meer weg. De situatie zit in een patstelling.


Baeckermael ‘Et hart vande den kap’

Drost Wouter Vermaelen

Wachtmeester Hansel van Gheesteren

Baeckermael ligt nogal eenzaam in het oosten van Woudvoorde, op de weg naar Halinus. Het is het kloppend hart van de houtkap in de oostelijke bossen. Het hele jaar door wordt er gekapt, zodat er in de lente weer aangepland kan worden. Hiertoe hebben ze in Baeckermael tegenwoordig ook grote glazen huizen, waar jonge boompjes worden gekweekt, zodat de ‘Harding’ kan worden nagekomen. De kwekers uit die kassen worden dan ook glimlachend door de bevolking ‘Glazen Boeren’ genoemd. Baeckermael heeft niet de grootste hoeveelheid Orken in hun stad, maar het is wél een uitmuntend voorbeeld van hoe Orken en mensen kunnen samenleven. Hier vinden we het hoogst aantal huwelijken tussen mensen en Orken en overal vind je Orken die zich hebben ingewerkt in de beroepen die de mensen hier uitvoeren. De Baeckermaelers zijn maar wat blij met de sterke Orken die mee het bos intrekken om bomen te vellen. Bovendien worden de houthakkers zo ook veel minder lastig gevallen door stammen van wildere Orken of door ander hinderlijk ongedierte uit het bos. De Orken bijten van zich af.


Wesserlande ‘Den frettende basjers’

Drost Tibald van Wesserlande

Wachtmeester Helion Duysterveld

Wesserlande is de eerste Woudvoordse stad die je tegenkomt als je ’s Graevensburghte verlaat. Wesserlande krijgt alle import vanuit ’s Graevensburghte omdat de handelaars uit ’s Graevensburghte Overdrealbeeck een werkkamp is en Nederdraelbeeck voornamelijk een militaire stad is. Wesserlande vaart er wel bij en de rest van Woudvoorde komt ook hier zijn goederen uit ’s Graevensburghte oppikken. Hier vinden we de derde grote woudlopershal. Speciaal aan deze hal is dat er vlak naast een groot slagershuis is. Het slagersgilde hier is geroemd om zijn voortreffelijke pastijen. Het geheim van deze smakelijke ‘Wesserlandsche Pastijen’ zit hem in de kruiden, die alleen hier groeien. Het ‘Witte Hoefblad’ en de ‘Grote Veldnetel’ zijn maar twee van de vele bijzondere kruiden die hier groeien en bloeien. De opmerkelijke wildgroei van bijzondere kruiden is te danken aan de Heilige Oreganna, een vrouw die door de Moeder gezegend werd en in deze bossen woonde, maar door een bende soldaten uit het Keizerrijk werd verbrand als heks. De plek waar haar hut stond, is thans een bedevaartsoord voor de volgelingen van het Leven en het is ook op die plek dat de verschillende zeldzame kruiden groeien. De slagers hebben al vaak geprobeerd om de kruiden te verplanten om ze thuis te kunnen kweken, maar dat mislukte telkens. De bijzondere plantjes groeien alleen op die plek.


Overdraelbeeck ‘Den buvekandt’

Drost Paulus Groenemeren

Wachtmeester Maerten Staelmans

Overdraelbeeck en Nederdraelbeeck worden van mekaar gescheiden door, u raad het al, de Draelbeek. Overdraelbeeck is het kleinste van de twee dorpen en ligt in het diepe woud van Woudvoorde. Je kan het slechts bereiken door middel van kleine bospaden. Het dorp is ooit ontstaan rond de plaatselijke zilvermijn, maar deze is ondertussen al jaren uitgeput. Als gevolg daarvan is het dorp leeggelopen en bleef er niet veel meer over dan een spookstad. Het dorp is echter niet volledig verdwenen, want de toenmalige schout van Woudvoorde zag wel in dat de leegstaande gebouwen nog dienst konden doen voor de stadstaat. En zo werd de eerste landloperskolonie opgericht. Voor zover bekend, de enige in Woudvoorde. Hier vind je de randfiguren van de maatschappij, de armen en de klaplopers, kortom de marginalen. De staat doet een poging om die ongelukkigen te rehabiliteren in dit kamp en dat doen ze onder andere door hen in de mijn te laten werken. Er wordt beweerd dat er nog geen enkele landloper het gewaagd heeft te ontsnappen, aangezien de opzichter een weerwolf is.


Nederdraelbeeck ‘Den onderkandt’

Drost Dieter Muizermans

Wachtmeester Herberd van Dryeweeghen

Nederdraelbeeck is groter dan zijn noordelijk gelegen zusterstad en is vooral bekend voor zijn Woudlopershal en zijn grote Hal der Krijgers. Het dorp is van groot strategisch belang, want het ligt dichtbij de grens met het Keizerrijk van de Draak. Het zal dan ook niet verbazen dat Nederdraelbeeck een zeer grote militaire aanwezigheid kent. Het dorp bestaat dan ook voor een groot deel uit soldatenbarakken en excercitieterreinen. In feite zijn er heel wat soldatengezinnen in de buurt van de barakken komen wonen, zodat de soldaten hun vrouw en kinderen regelmatig kunnen zien. De typische kleine rijhuisjes zijn heel herkenbaar en uniek in Woudvoorde. In al deze militaire bedrijvigheid lijkt de woudlopershal, aan de rand van het woud, een oase van rust. Nochtans is dat maar schijn, want ook de Wolvers en de spoorzoekers die hier verblijven of passeren zijn vaak in dienst van het leger. Geen enkel leger in Woudvoorde kan zonder woudlopers. Hoewel Nederdraelbeeck op de weg tussen Woudvoorde stad en 's Graevensburchte stad ligt, is er toch weinig handelsverkeer. De heirbaan loopt te dicht tegen de grens, waar er vaak de gevreesde marauders gesignaleerd worden. Ook de talrijke grenspatrouilles kunnen hun aanvallen niet volledig bedwingen.


Reyckvoorde ‘Huugh en druugh’

Drost Johannes Ter Stichelen

Wachtmeester Volkert Weymeersch

Reykvoorde is de hoogste gelegen stad van Woudvoorde. Het ligt op het kruispunt van de grote weg tussen Woudvoorde, Nederdraelbeeck en Weeldeghem. Het is een doorvoerstad, met vele herbergen waar transporteurs van hout of andere handelswaar uit Wesserlande de nacht op een aangename manier kunnen doorbrengen. Het gilde der Verwenners heeft dan ook hier vaste voet aan de grond gevonden, als enige stad in Woudvoorde (op Noorderbossche na natuurlijk). Wat je hier ook vindt, zijn grote magazijnen, waar de transporteurs hun karren kunnen stallen terwijl ze overnachten. De magazijnen zijn bewaakt en worden goed onderhouden. Ze worden brandschoon gehouden en gevrijwaard van ratten en ander ongedierte. De vergoedingen voor deze stallingen zijn zeer schappelijk en vaak worden verblijven in een herberg gekoppeld aan een standplaats in een magazijn. Hier vinden we een kleine post van het boodschappershanze. De boodschappers zijn niet met veel, maar Reyckvoorde is vereerd om ze hier te hebben.


Weeldeghem ‘Ekse, demune ende basjers’

Drost Zeger Uyterhuyzen

Wachtmeester Mindus Broodersch

Weeldeghem is bekend terrein voor de Eternicaanse Avonturier. De verhalen over de heks van Weeldeghem, de mithrilmijnen, de demonen van Nachtvleugel en Brokaal liggen allemaal nog vers in het geheugen. De goudoogst is een hele tijd minder geweest, maar de laatste jaren zijn er nieuwe aders aangeboord en de ontginning draait opnieuw op volle toeren. De smelterijen in Weeldeghem zijn blij met deze wending, want het ging lang niet goed met deze industrie. Omdat Weeldeghem zo goed als op de grens ligt van het Keizerrijk, is het altijd een strategisch belangrijke stad geweest. De aanwezige Eternicaanse troepen houden zich dan ook steeds paraat en patrouilleren de bossen zorgvuldig. Het is voor een soldenier in Weeldeghem een vereiste om op z’n minst aan de hand van een kaart zijn weg zelf te kunnen vinden in het woud, anders kan men hier niks komen doen. Wie van zijn afdeling gescheiden wordt, moet zich kunnen redden. En was er in Weeldeghem ook geen strijdersacademie?


Denterbeeck ‘De gruute arena’

Drost Haldaan Tiriasson

Wachtmeester Joeri Droghenbosch

Denterbeeck ligt op de weg naar Sevenkruyse en is dan ook van alle Woudvoordse steden het meest Vadergericht. We vinden hier ook een schrijn, geweid aan de Vernietiger en orken komen hier graag en veel. Een interessante bezienswaardigheid is hier de ‘arena van Brasshardt’. Brasshardt was een Woudvoordse held, die volgens de legende de moord op zijn vrouw en kinderen, gepleegd door een patrouille Orken, wreekte door de ganse stam eigenhandig en alleen uit te moorden. In de arena vinden gevechten plaats tussen kampioenen van zogenaamde ‘kamphuizen’. Dit fenomeen is overgewaaid uit Sevenkruyse. Het gaat om handelaars, die veteranen betalen om voor hen te vechten. Ze trainen nieuwe recruten en laten hen vechten in de arena voor geld. Er worden ook weddenschappen op afgesloten (iets wat in Sevenkruyse meestal niet gebeurd) en goeie kampioenen delen altijd in de winst. De meeste gevechten eindigen niet in de dood van één van de deelnemers, maar het symbolische gebaar waarbij de winnaar zijn wapen op de keel van de overwonnene laat rusten. Ter-dood-veroordeelden worden ook vaak de arena ingejaagd om tegen kampioenen te vechten. Woudvoordestad heeft al vaak geprotesteerd tegen dit gebruik, maar nog nooit echt de moeite genomen om er ook daadwerkelijk iets aan te doen. Er is niet veel misdaad in Denterbeeck.


Tolbrugh 'Wodda den kapers inde hunder moaliën stoan’

Drost Killian Vindevogel

Wachtmeester Turgon van Woudvoorde

Tolburgh is de stad van de Drie Stromen. Het ligt vlakbij de samensmelting van de Trollenbeek en de Woldstroom (beide rivieren stromen verder als de Woldstroom) en niet veel verder stort de Woldstroom zich met een kleine waterval in de Bruine Beek, die zich op zijn beurt weer bij de Blauwe Stroom voegt. Tolburgh ligt tussen de Trollenbeek en de Bruike Beek en op de weg tussen Denterbeeck en Weeldeghem. Hier in Tolburgh vinden we een vreemde combinatie van krijgerskwaliteiten en kapindustrie. De houthakkers hier zijn tevens soldeniers van de grenstroepen uit Tolburgh. Sinds het Keizerrijk zelf ook diep in de penarie is beland dankzij het AL en de onderlinge keizerlijke twisten het land verscheurde, kregen de grenstroepen al snel in de gaten dat ze niet veel werk hadden. Daarom zijn ze massaal aan een tweede carrière als houthakkers begonnen om een zich van een goeie bron van inkomsten te verzekeren. Als je in de buurt van Tolburgh komt, zal je snel genoeg opmerken dat alle houthakkers hier voorzien zijn van een lans, een zwaard en een tuniek met het wapen van Tolburgh. Hun maliënkolders doen ze meestal uit als ze kappen, maar hij ligt nooit ver weg. Bij het minste teken van onraad staan ze strijdensklaar om gelijk welk dreigement op te vangen. Ze hebben goeie relaties met de Boomdansers die hier de rivieren gebruiken om de gekapte bomen naar Meert te brengen. Een hele trip, die echter over land véél langer zou duren. De bomen worden individueel in de Woldstroom gedumpt en dan na de waterval opgevangen en bij elkaar gedreven tot een vlot, waarop de Boomdansers hun gevaarlijke taak verrichten.